Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/347

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
308
Schouburgh der


De [1] Stadt, en Staat hun rust, en welvaart konnen vesten.
De Faam verbreit zyn lof, van ’t Oosten tot het westen:
En tuigt hoe Londen schrikt, en hoe dat Chattam beeft,
Door ’t staal, en ’t vuur benart, dat ons den Vrede geeft.

Nog een.

Die onder deze Faam, zoo blank in ’t harnas zit,
Is eeuwig Dordregs roem, de Borgerheer de Wit.

Hoe onvast de Staat der Grooten is, en hoe licht veranderlyk de begrippen van ’t gemeene volk, daar van zyn menigte van voorbeelden die zulks bevestigen.

Die op ’t geluk van ’t los geval
Vertrouwen zet, in ’s Waerelds dal;
Steunt op een Rietstok.
Want ’s Waerels goet is enkel wint.

Dit begrip is niet nieu, de ouden hebben al gezeit: Daar is geen zekerheit in de menschelyke zaken; alles is een geduurige verandering onderworpen. Titus Vespasianus op een gastmaal ge-

noo-
  1. ↑ Dordrecht] De Raadt dezer Stadt op de voorstellinge van den Heere Hugo Repelaar, Borgermeester van ’sHeeren wegen, keurde eenstemmig goet, van dat Heldhaftig bedryf een Konsttafereel te laten schilderen, om tot eeuwige gedachtenis op de groote zaal van het Raathuis op te hangen, tot welke bestellinge Gecommitteert werden, gemelde Heer Hugo Repelaar neffens de Heeren Roelant de Carpentier, Samuel Trip, en Gerard Brandwyk, op den 30 van Hooimaant 1667.