Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/348

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
309
Schilders en Schilderessen.

noodigt zynde, daar men vrolyk was, ontslipte een zware zucht. Zyn vrienden hem vragende naar de Rede van zyn zuchten, gaf hy tot antwoort: Ik kan my daar niet van onthouden, als ik gedenk dat myn eer, en grootheit hangt aan het believen van het wankelbaar geval: dat myn Staten zyn als in de macht van twee Scheitsmannen, en myn leven als in die der huurlingen. Dit is (om geen breeder omtrek te maken) gebleken aan den Ruwaart, waar van wy de schets zyner verheffing hebben beschreven. Deze die daad te Chattam op den 21, 22 en 23 van Hooimaand 1667 verricht hebbende werd daar voor met een goude kop van den Staat beschonken, en hy van elk toegejuicht. Naderhant van de Haagsche Borgers, door Eygenbaat opgestookt, is hy nevens zyn Broeder vermoort, en door het verwoede graau deerlyk mishandelt op den 20 van Oogstmaand 1672, ja de verbittertheit was zoo groot tegen deze Heeren dat zy zelfs hunne beeltenissen trachtten te verscheuren. Tot verscheiden malen rotte de vergramde gemeente voor het huis van onzen Schilder, dreygende des zelfs huis om veer te halen indien hy haar de beeltenissen van de Heeren Jan en Kornelis de Wit niet over gaf; want dit was door een leerling van hem (die zig mee onder dien hoop mengde) verkraait: zoo dat de Baan, om zig voor ongemak, en zyn huis voor schade te hoeden, zyn deur moest open zetten (die schilderyen eerst zeker zynde geborgen) en getroost aan zien dat zy zyn gansche huis, van onder tot boven, en kasten en kisten doorzochten.
Dit driftvuur tot Beeldeschennis sloeg voort tot Dordrecht, daar het graau dit pronkstuk van 's mans Konst geplaatst op 't Raathuis (daar wy even van

V 3
ge-