gemelt hebben) van een reet, en aan flarden scheurde, zoodanig dat ik naderhant (wanneer Romein de Hooge ’t zelve in plaat zoude brengen) werk had, om uit vele stukken en brokken, (den beeldeschenners in dien tyd ontfutzelt of voor weinig gelt afgekocht) by een verzamelt, een schets van den zamenhang van dit stuk op te maken. Want in dien tyd was het eerste model van dit stuk nog in een onbekenden hoek verduistert, ’t geen thans te Dordrecht by den Konstlievenden Heere Pompe, Heer van den Oostendam in een kas aan den wand te pronk hangt, en nu wel (die stormbuy over gewaait) ter eeuwiger gedagtenisse in dat Stamhuis zal bewaart worden. ’T is ook by de Dochter van den Ruwaart, getrout geweest aan den Heer Simon Muis van Holy, Raad der Stadt Dordregt.
Nog een opmerkelyk voorval is onzen de Baan ontmoet in het voorgemelde troubeljaar, wanneer de Franse Haan met wyde schreden was genadert tot voor den Hollandschen Leeuwentuin, het geen ons lust aan te merken.
Wanneer de Koning van Vrankryk men zyn Krygsmacht tot Uitrecht was gekomen, kwam ’er een Brief aan onzen de Baan geteekent door den Hartog van Luxenburgh, toen Gouverneur van Uitrecht, beneffens een vrye pas, geteekent door den Kommandeur Stoupa, ten einde hy op Seyst buiten Uitrecht wilde komen om des Konings Beeltenis te malen, met belofte van een grote somme gelts daar voor te zullen genieten, dat hem in den Haag betaalt zoude worden; waar voor twee Heeren borg bleven, als mede dat hy buiten eenig gevaar weder te rug zou geleid worden. De Baan vond zig hier door wel ver-
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/349
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
310
Schouburgh der
eert,