eert, maar konde in opzicht van dien tyd, hier toe niet besluiten, overwegende het gevaar, van by ’t gemeen, kwaad agterdenken te zullen geven. Zyn Vrouw riedt het hem ook sterk af, en niet zonder rede: want het konde hem gegaan hebben, als de fabel melt van den Vos en den Ezel. Deze ging naar ’t Hof van den Leeu, daar hem de Vos tegen kwam, dien hy vraagde waar hy zoo schichtig na toe liep? weet gy niet (zeide de Vos) dat de Koning der Dieren een gebod heeft laten uitgaan, waar by alle gehoornde dieren zyn Hof (op lyfstraffe) ontzeit wort? wel Vosneef (zey de Ezel) gy hebt immers geen Hoornen, maar ooren. Dat ’s waar, zeide de Vos: maar als hy nu eens zeide dat myn ooren Horens waren, dan waar ik ’er immers mee gebruit?
De bevinding had hem in dien tyd doen zien dat een kwade naam, of kwaad vermoeden alleen genoeg was om een man van kant te helpen; des ging hy te rade met verstandige luiden, onder andere met den Vorst van Waldeck, die hem wel verzekerde van goed onthaal, en betaling, maar gaf hem in bedenken, ’t geen hier boven gemelt is, van hier door in kwaad vermoeden te zullen vallen by ’t onbezonnen graau, in aanmerking van dien tyd. Te meer wyl hy Hopman van de Borgery in zyn wyk was. Hy liet dan den Hertog van Luxenburg bedanken, en bleef t’huis. Egter is hy naderhant by den Koning van Vrankryk in gedachtenis gebleven, als de voornaamste pourtretschilder in Nederlant; ja de Koning heeft naderhant gewilt dat zyn Ambassadeur d’Avaux, die order had om Konst voor hem te koopen, zig van zynen raad, en oordeel zoude bedienen.
Hy heeft ook veel eer en voordeel genoten van
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/350
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
311
Schilders en Schilderessen.
den
V 4