Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/353

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
314
Schouburgh der

of tafelbezems, waar onder was de lantschapschilder B. Appelman, die weeken lang gewoon was op vreemde bodems te oorlogen.
Men leest by Livius, hoe Menenius Agrippa van den Roomschen Raad tot de afgevallen Borgers gezonden, om hen tot wederkeeren te bewegen, deze Fabel, of gelykenis voorstelde: Dat de leden des menschen lichaams op een tyd met malkander in twist raakten, en klaagden over de maag. Hoe de voeten ’t geheele lichaam droegen. Hoe de handen arbeyden, en streden. Hoe het hoofd altyd met bedenkingen en overleggingen bezig was, en dat al wat zy daar mee wonnen of verkregen, altemaal door de maag verteert wierd, die niet arbeydde. Maar wy mogen wel zeggen (zinspelende op de schuimloopers waar van wy even melden) dat onze de Baan veel magen had, die ’t geen hy door zyn vernuft en handen gewonnen hadde, hielpen verteeren. Hier by had hy zes Kinderen en nog drie van zyn Zuster, en vyf van zyn Vrouws Zuster, zoo in als buitenshuis tot zyn last, die niet als de Steur, van den wind konden leven; dat hy aan zyn kas in later tyd best gewaar wierd; want zyn gelukstar was al eenige jaren voor zyn sterven onder gegaan.
Zyn Zoon JAKOBUS de BAAN oeffende mee de Schilderkonst, dog zyn levenslamp werd door de dood op zyn 27 Jaar gedompt, daar zyn Vader grooten rouw over droeg, in die twee jaren die hy na hem leefde. Wy zullen aan hem op zyn geboortejaar gedenken.
Nu heb ik noch een opmerkelyk en zeltsaam geval te verhalen, ’t geen onzen Konstenaar ontmoet is. Laat het u niet verdrieten Lezer zoo het

wat