wat lang valt. Waren ’t beuzelingen ik zou my schamen u dien last aan te doen.
Alle dingen (zeit het spreekwoort) hebben twee handvatzels.
Dit ziet op de tweederhande of verschillige opvattingen, waar door de voorkomende zaken op het gemoet der menschen verschillige aandoeningen schynen te bewerken.
Schynen te bewerken (zeg ik) om dat alle voorkomingen eenvoudig enkel bespiegelend zyn, en de werkingen, die ’t zelve veroorzaaken, van de gestalte des gemoets afhangen, en de meerder, of minder aandoeningen, ten kwade of ten goede, van de goede of kwade geaartheit haar oorzaak hebben.
De gaven der Konst zyn ongelyk gedeelt, en de eene steekt in hoogte uit boven de andere als een Ceder by het lage kruid. De hoogste zyn de laagste (op de Schilderkonst toegepast) als het doel, waar naar elk mikt met den pyl van zyn gewiekt vernuft, en zal die, welke zig ’t yverigst daar in oeffent, ’t wit digtst by beschieten. Dit veroorzaakt in de genen die in ’t treffen te kort schieten (zoo de zelve een edelmoedigen geest bezitten) naayver en voelen zig gespoort om in die oeffening niet op te houden. Dus moeten de Konstoeffenaars zich ook onderling gedragen. Maar zoo haast ’er in dit opzicht afgunst ryst, is ’t een bewys van ’t kwaat gemoet, het welk in anderen benyd, ’t geen het behoorde te pryzen.
Dit ontdekt zig meest in lafhartigen, en die een lagen geest bezitten, die liever aflaten van zich voort te oeffenen; om hun werk te maken van het doen der bovenstrevers te verguyzen, en hun roem met scheef gezicht te begluuren.
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/354
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
315
Schilders en Schilederessen.
’T