Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/357

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
318
Schouburgh der

gestaan. D’eerst gemelde had de Geesseling, d’ander de Kruisdraging van St. Andreas verbeeld. Als nu deze stukken afgeschildert waren en geplaatst zouden worden, drongen de Kloosterlingen uit hoofde van hun verding Carats aan, om ’t met zyn konstig penceel daar ’t gebrekkig was te verbeteren. Dog hy weigerde zulks, zeggende: dat hy die stukken heerlyk naar de Konst geschildert vont, en dat die de zelve wilde verbeteren, een grooter Meester dan hy in de Konst wezen moest.
De groote Rubbens ook, wanneer de Kloosterlingen aan van Dyk de waarde van zyn Konst niet wilden betalen (gelyk wy op zyn plaats breedwydig hebben aangemerkt) nam die naar zig en betaalde van Dyk; om de Konst haar waarde te doen houden, en op te beuren. En zoo nam ook de Konstschilder Bakker, Jan de Baan (even te voren in desselfs levensbeschryving vermelt) dezen zyn Leerling nog jong zynde, aldus in gezelschap met hem, en prees des zelfs Penceelwerk boven zyn eigen; en hebben dus deze kunstenaars voorbeelden nagelaten, hoe men de Konst opbouwen, en de Konstenaars opbeuren moet uit de verdrukking.
Zoo wy nu de welmeenenden, en de kwaad meenenden tegens elkander over in den evenaar stelden, de laatste zouden de balans merkelyk overhalen.
Die de schaamte ontwassen zyn steken met hunnen nydigen angel dat men het ziet: De Konstschilder .... Le Ceur kreeg in zyn tyd order om voor de Koningin van Vrankryk een Koepel te schilderen, waar van hy een teekening maakte die hy de Koningin in handen gaf, daar zy groot genoegen in nam. Maar C. le Brun (aan wien zy

die