Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/359

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
320
Schouburgh der

derhand hielt, en houd men nu nog dit stuk voor een der konstigste geschilderde Tafereelen die te Roome te zien zyn.
Ik heb ’er gekent, die, als hun eenig Konstwerk van anderen wierd voorgestelt, om te konnen zeggen dat zy geen woort tot nadeel daar in gesproken hadden, de schouders (als hun over de waarde daar van gevraagt wierd) zoodanig wisten op te trekken, en den bek te ploojen, dat de veragting daar uit duidelyk genoeg te verstaan was. En zommigen die voor Konstkwekers gegroet willen wezen, hebben mee een rol in ’t Spel. Deze, als hun naar eenig konstwerk gevraagt wort, zwygen of spreken, na dat het voordeel hun dryft, aangezien zy de regelen van ’t welleeven vergeten en alleen het Artykel van eigen voordeel onthouden hebben, en ’t zelve behartigen. Van deze die zwegen, daar zy spreken moesten, zeiden de Atheniensers. Hy heeft den Os in de keel, of heeft den Uil gezien; om dat in dien tyd hun gelt met de beeltenis van een Os, of Uil bezet was.
Ongelukkigen, die baatzuchtigen tot hun helpers aantreffen, dezen moeten de handen voor af gevoelig gekust worden, of zy moeten op ’t end de winst met hun deelen.
’T beurt elk niet een Kristoffel aan te treffen, die hem door de Wateren der verdrukking torst: of een machtigen Mecenas die hem zoo hoog opbeurt, dat de nyd hem niet bereiken kan, om heur gespitste nagels in zyn huit te hegten.
De Werelt is bedorven, en de bewoonders voor ’t grootste deel verbastaart. De Spinnen groejen sterk aan, en de Byen verminderen. Voorbeelden hebben ons doen zien, dat de een Konstenaar des anders werken lastert en schent.

Le