heit onderwezen, tot dat zyn Vader in dienst van Koning Karel den tweeden met ’er woon naar Engelant vertrok, en hem onder opzicht van den konstigen Scheepschilder Simon de Vlieger tot Amsterdam liet, van welker levenswyze wy niets weten te zeggen, gelyk wy ook den tyd zyner geboorte, nog met verzekertheit zyne geboorteplaats niet hebben konnen te weten komen, en dus alleen van hem kunnen zeggen, dat hy een Haarlemmer of Amsterdammer van geboorte, en een geacht Mr. in zyn Konst geweest is. Inzonderheit word, om des zelfs natuurlyke en konstige behandelinge geprezen, een stuk waar in het Haarlemmer Meir met allerhande Schepen, by een labberkoelte voorby en door malkander zwierende verbeelt is.
Hy had een Dochter Kornelia de Vlieger genaamt, die de Dichtkonst verstont. By gelegentheit van haar verjaring den 28 van Wiedemaand 1658 oud zynde 28 jaar, vind ik op den Hemelzang (zoo genoemt, door haar gemaakt) dit volgende Vaarsje toegepast:
Het droevig Wezop gaat
Met tranen in zyn oogen,
In zwarten rouw gekleed,
Om dat het tot zyn leet,
Moet dulden en gedogen;
Den Amstelstroom verlicht,
En ’t Gein laat zonder luister:
Het doet niet dan het klaagt,
En noemt, hoe schoon het daagt,
Zig, zonder u, gansch duister.