Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/365

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
326
Schouburgh der


Van haar Gedichten zietmen in d’Amstelsche Zang-Godin, ook die op haar zyn toegepast, maar op haar Vader S. de Vlieger heb ik niet ontdekt als dit volgende Grafschrift:

Hier rust de Vlieger, die wel eer door zyn penceelen,
Om prys streed met Natuur, op doeken en paneelen;
En door zyn yver en natuurdrift aangevoert,
De Lasterzieke Nyd, de lippen heeft gesnoert.
Deez’ Sark houd wel zyn Lyk, maar niet zyn lof gesloten;
Die op de tongen zweeft van al de Konstgenoten.

En Vondel elders:

De Vlieger nam in ’t end de vlucht
Uit dees benaauwde lucht.

Wanneer onze Willem vanden Velde nu zoo veer in de Konst van Scheepschilderen gekomen was, dat zyne stukken nevens de beste van die soort mochten ter monstering komen, nam de oude Willem zyn slag waar, en wist zyn Zoon ook in de gonst van Koning Karel te vlyen, die daar op naar Engelant trok, en veel heerlyke konstwerken tot de Koninglyke vertrekken maakte, gelyk ook na des zelfs dood, voor Koning Jakobus; waarom ook zyn Beeltenis door Godf. Kneller in den jare 1680 geschildert, en door Jan Smit 1707 in koper gebracht, ook dus met die eer pronkt:

Guljelmus vanden Velde, Junior, Navium & prospectuum marinorum Pictor: & ob singularem in illa Arte peritiam a Carolo II. &. Jacobo II,

Mag.