Mag. Britanniæ Regibus annua mercede donatus. Obiit 6 Apr. Ann. Dom. 1707. Ætat suæ 74.
De Engelanders hebbende grote agting voor zyn penceelkonst, zulks ook verdienende, hebben de zelve van tyd tot tyd, door Hollant, opgekocht, ons gezicht die aangename beschouwing onttrokken, en dezelve derwaards vervoert, zulks dat men niet veel van de zelve ziet. En het staat niet licht gezien te werden, dat ymant in dat deel der Konst zoo schoon zal opdagen, om de school van Pictura, door zyn konstlicht te beschynen.
Na hem volgt de brave Schilder FREDERIK de MOUCHERON geboren te Embden, in ’t jaar 1633. Deze van natuur van jongs af aan geneigt tot de Konst, en in de beginselen van de Teekenkonst onderwezen, verkoos, om de behandeling van ’t Penceel te leeren, den beruchten Jan Asselyn, anders Krabbetje. By wien hy in korte jaren zodanig vorderde, dat hy ondernam op zyn Konst naar Vrankryk te reysen, daar hy verscheiden agtereenvolgende jaren bleef, oeffenende zig yverig naar ’t leven, in alles dat hem in zyne verkiezing dienstig was, en naderhant tot voorraad konde strekken; waar na hy weder naar Nederlant kwam afzakken, en zette zig in de bloejende Amstel-Stadt ter neer, daar hy sedert veele zoo groote als kleine Konststukken, voor de Konstlievenden geschildert heeft, die het vernuft van hun maker melden.
De voorwerpen van zyne Tafereelen zyn doorgaans vremt, natuurlyk en konstig ’t zamen geschikt. De verschieten schynen als door een graauwen mist of morgendaau betrokken, daar en tegen de voorgronden helder en krachtig: de boomen