Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/368

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
329
Schilders en Schilderessen

Scheepsbou; maar door een groote zucht tot de Konst gedreven, teekende hy Zeên, en stille wateren met allerhande soort van vaartuigen, zoo konstig, net en los van behandeling, als vast en vloejende met de punt van ’t penceel gearceert, dat de Konstschilder Bronkhorst my verklaart heeft, nooit beter te hebben gezien; doch deze knaap stierf in ’t prilste van zyn lenteleven; waarom het te verwonderen is dat hy noch zoo veel heeft konnen maken, als men van hem in zyn geboorteplaats ziet.

De Fortuin, welke door haren licht veranderlyken aart, zommigen in ’t eerst tot een gelukkigen staat opbeurde, en naderhand het zeil van voorspoed swenkte, zonder naar dezelve meer om te zien, heeft grondt gegeven tot de Spaansche spreuk, welke zeit: De Fortuin wort moede van altyd een zelfden man op den rugh te torschen. Zy doet (op zyn Hollants gezeit) velen hun wittebrood voor af eeten. Het minste getal der menschen behout hare gunst van ’t begin, tot het einde hunnes levens. Nochtans mogen wy met rede onder de gelukkigen
Onzen Konstschilder ANTOINE FRANCOIS vander MEULEN tellen. Deze geboren te Brussel in ’t jaar 1634, had zyn afkomst uit een der braafste geslachten van die Stad, waar door hem geene middelen ontbroken hebben, om zig in wetenschappen te oeffenen, waar door de geesten geslepen, en bekwaam gemaakt worden tot verheve bezigheden; gelyk hy ook geneigt tot de Schilderkonst, en by een braaf meester bestelt, den zelven in korte jaren (schoon nog piep jong) overtrof; waar na hy zig daar in voort

oef-
X 5