oeffende door de leydingen van zyn vernuft.
Zyn neyging strekte tot het schilderen van Geboomte, Lantschappen, en Landbataljes, waar in hy inzonderheit doorstak, zoo dat de zelve by de onzydige Konstbeminnaars voor goed gekeurt wierden, en hy dus al vroeg zyn roem tot het nabuurig Vrankryk dede klinken.
Monsr. Colbert, voornaam begunstiger dier Konst, had straks bevallen in zyne Konstwerken, en deed hem eenige stukken schilderen, welke hy eerst aan C. le Brun (die overtuigt was van des zelfs bekwaamheit, en dat hy in staat was om door zyn penceelkonst den Koning dienst te konnen doen) vertoonde: zoo dat hy goedvond hem tot dien einde aan de Koning voor te dragen, gelyk geschiedde: die daar op order gaf om hem van Brussel te Parys te ontbieden.
Vander Meulen, die nu zag dat de Fortuin hem van veere toeknikte, brak met der woon van Brussel op en begaf zig in dienst van den Koning die hem jaarlyks toeley 2000 kroonen, en een vrye woning in Gobelins. Daar en boven betaalde hem de Koning zyne onkosten, wanneer hy het Leger volgde. Hy is van de meeste Conquêtes, of veroveringen der Steden, en andere byzondere voorvallen ooggetuige geweest, en heeft dus gelegentheit gehad; om de zelve naaukeurig, zoo wel de Steden met hare bolwerken, als de beschansingen daar tegens, met de gansche toerustinge, en het aankleven van dien, in tafereelen te vertoonen. Deze stukken sieren nu nog het Paleis van Marly en den opgang in het Kasteel te Versailles. Hy heeft ook de eer gehad dat Koning Lowys de XIV heeft voor Gevader gestaan over een van zyne Dochters.
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/369
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
330
Schouburgh der
On-