Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/373

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
334
Schouburgh der

Bank van Leening en hy kreegze door behulp van zyne vrinden tot zyn Vrouw. Straks kwam hem weer in ’t hooft dat het beter, en gereeder voor hem wezen zoude, een Bloemhof by, of aan zyn woning, gereed om de zelve met meerder gemak naar ’t leven te schilderen, aan de hand te hebben; des hy zig bediende van zyn Schoonvaders tuin, die buiten de St. Antonis Poort stont, en daar een bekwame woning by was. Maar deze moest hy ontruimen als de nieuwe uitlegging gemaakt wierd, en hy verplaatste toen naar de Diemer Meer. Jakob van Walskapel, zyn Leerling, die zoo veel voor de verandering niet was, wanneer hem in ’t hoofd kwam om te Loenen te gaan wonen, scheidde van hem af. Dit was in ’t jaar 1667. Deze bleef tot Amsterdam noch eenigen tyd de Konst oeffenen, tot hy een ander beroep kreeg, dat hy nu noch waarneemt.
Kik uitgetobt kwam naderhand ook weder tot Amsterdam wonen, daar hy ook gestorven is in den Jare 1675.

Wy hebben op het einde van onze laatste tusschenreden, met het eindigen van ons eerste Boekdeel den Lezer belofte gedaan, dat wy in een andere Redenvoering zouden onderzoeken, of ten proef brengen wat de leyding vermag, omtrent zulke die een lagen geest bezitten, en of die door deftige voorbeelden aangespoort bekwaam gemaakt konnen worden tot groote onderneemingen in de Konst. Dit zal thans het doel wezen dat wy trachten zullen te beschieten.
’T is van nootwendigheit, en ook in gebruik, dat de Jeugt door den toom der opvoeding geleid wort tot zoodanig een einde als haar Ouders of Opzichters oordeelen dat haar best en dienstig we-

zen