Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/375

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
336
Schouburgh der

ten gevalle deed. Zy kwam zoo veer in de Konst, dat wy reden vinden om haar nevens andere Konstenaressen op haar beurt ten toneel te voeren. Maar gelyk van een waterleyding, door buizen uit een springbron afgeleit, zoo haast’er (door verzuim van agtgeving of andersins) iets aan komt te ontbreken, straks de doorvloeying gestuit is, en ophout; zoo ging het ook met deze Juffrou. Zoo haast haar Vader, die haar altyd aandreef, kwam te sterven, hield haar Konstoeffening op.
Een Eetlustige vind zoo veel vermaak niet dat hy lekker gegeten heeft, als dat hy lekker eet. Even zoo heeft een rechtschapen Konstschilder meer vermaak dat hy schildert, dan dat hy geschildert heeft. Dit zynze die tot groote oeffeningen bekwaam zyn.
Seneca doodverwt ons een regtschapen schilder, omtrent met de zelve koleur. Het valt den Konstenaar genoeglyker, zeit hy, te schilderen dan geschildert te hebben; de ernstige bekommernisse die hem omtrent het gansche beslag zynes werks bezig hout, vint een zonderlinge lust in de bezigheit zelve: de vreugt daar en tegen die hy na ’t voltrekken van zyn werk heeft, is nergens na zoo groot; hy geniet nu maar de vrucht zyner Konste, daar hy te vooren de Konst zelve genoot, zoo lange namentlyk als hy noch schilderde.
Wy hebben in onze Levensbeschryving reeds velen ontmoet, die ’t penceel verwisselden met andere oeffeningen die hun zekerder voordeelen schenen te beloven. Anderen weer die de Konst uit nootwendigheid oeffenden, tot hen een gelukkige Ervenis in den schoot viel, en zy toen straks de Konst vaar wel zongen. Maar dit moet ik ’er met een by zeggen: dat ik ondervonden heb dat

zulke