Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/377

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
338
Schouburgh der

blykt dat zy ’t niet uit nood, maar uit enkelen konstlust gedaan hebben.
Tot dus ver hebben wy gezien wat de opvoeding en leyding vermag, en uit voorbeelden, ook van die welke door natuurdrift aangezweept werden, betoogt dat de zelve al te onvaste voetsteun is om op te bouwen. Nu rest dat wy het tweede lit van de voorstelling in overweging brengen: om te zien of zulke die een lagen geest bezitten, door deftige voorbeelden gespoort, bekwaam gemaakt konnen worden tot groote ondernemingen in de Konst. Dit zal ons min moeite geven als het voorgaande; aangezien verscheiden vernuften hunne pennen over diergelyke stof voor my al hebben afgeslooft.
Spreuken en bedryven van anderen (zeit Gratiaan) zyn in een vruchtbare geest, zaden van scherpzinnigheit, die vervolgens eenen overvloedigen oogst geven van fraje Redenen. En op een andere plaats: Wanneer de Rede de Natuur volgt, en de verkiezinge zig by de geneigtheit voegt, zoo verricht zy wonderen waar in het ook wezen mag. Maar zig tot eenige zaken te begeven, met een tegenstrydige drift, is te willen arbeyden om weinig te vorderen.
Beide deze spreuken vooronderstellen een bekwaam onderwerp, te weten: zulk een dat een vrugtbaren Geest, en Rede bezit, en zegt. Dat in zulke de voorbeelden en bedryven van anderen, zaden zyn van scherpzinnigheit, die eenen overvloedigen oogst beloven; en met natuurdrift en geneigtheit gepaart wonderen verrichten. Door welke uitdrukkingen het tweede lit van ons voorstel krachtig beantwoort wort, met afwyzingen der zulken die een lagen geest bezitten, als onbekwaam gekeurt tot groote ondernemingen in de Konst.

Wy