Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/38

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
21
Schilders en Schilderessen.

in ’t algemeen geprezen wierd, zoo dat alles op die leest moest geschoeit wezen, zouw het de Waereld behagen; vond hy zig geraden een Jaar by Rembrant te gaan leeren; ten einde hy zig die behandeling der verwen en wyze van schilderen gewendde, welke hy in dien korten tyd zoodanig heeft weten na te bootzen dat verscheiden van zyne stukken voor echte penceelwerken van Rembrant wierden aangezien en verkocht. Doch hy heeft die wyze van schilderen naderhant met veele moeite en arbeid weer afgewent; naardien de Waerelt voor ’t overlyden van Rembrant, de oogen al geopent wierden, op ’t invoeren der Italiaansche penceelkonst, door ware Konstkenners, wanneer het helder schilderen weer op de baan kwam.
Terwyl nu zyn Konstroem alom verspreid wierd, bekroop hem de trouwlust; des hy het oog liet vallen op een Juffrouw van een oud en geacht geslacht, welker Vader te Rotterdam Bewinthebber der Oostindische Maatschappy was geweest, en die toen met haar Moeder, die Weduw was, te Amsterdam woonde. Deze van natuur begiftigt met verstant, een aanminnig wezen, en welgeschapen lichaam, ook niet misdeelt van geldmiddelen (beminlykheden daar men ’er vier mede zou konnen uitrusten) kreeg hy tot zyn deel. Dan gelyk ’er niets bestendig op aarden is, zoo is hy ook niet lang bezitter van dit gelukkig lot geweest. Want zy kwam aan de Waterzucht, die zy voor heuren troudag al onderhevig was, (naar dat zy hem eenen Zoon ter Waerelt gebracht had) te sterven in den jare 1649. ’t geen hem in groote droefheit bragt, aangezien hy de waarde van zyn geluk uit het vermis leerde kennen, en ’t zig egter als alle anderen moest getroosten. Want

Het
B 3