Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/384

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
345
Schilders en Schilderessen.

van jaren de Gereformeerde Kerk te Dordrecht met leer en voorbeelt heeft gesticht. Hy was een goet pourtretschilder, maar een losse bol, en die in zyn levensgedrag niet minder als naar zyn Vader aarde. ’T werd maar kortswyl by hem gerekent, als hy in de kroeg zittende, een stuk kryd nam, of een stuk houdskool en daar mee op den muur een Preekstoel teekende, en daar in een mannetje met een langen baard, en dan tot zyn kittebroers zeide; wilt gy myn Vaar eens zien? Ook leefde Jakob van Hassel in dien tyd, welke fraye Lantschappen en vervallen Roomsche Ruynen schilderden. Als mede Barent Bisbink Disciepel van Jan Both; Dirk van Duivelant, en Abraham van Dyk, die moderne ordonantien Schilderden, en zyn meesten levenstyd in Engeland heeft doorgebrocht. Kristiaan Siriep, die distels en kruiden op de wyze van Otto Marseus schilderde. En Kornelis van Slingerlant anders Zeehaan, mede een Dortenaar. Hy kreeg deze Bentnaam uit hoofde dat hy tweemaal de reys naar Romen over zee gedaan had. Hy was beide Schilder en Kok, en woonde te Dordrecht by de Groothooftspoort, over ’t Ossenhooft daar hy ook gestorven is.

Op hem volgt PIETER FRITS, anders Welgemoet. Deze Bentnaam waar mee hy te Romen maar 17 jaren oud zynde, benoemt werd, ontsproot by gelegentheit van zeker zinnebeeldig toestel op zyn intrede, of inhuldiging in ’t Konvent. Zyn Bentbroeders hadden (gelykze doorgaans gewoon zyn iets byzonders te vertoonen ’t geen vremd, of potzig is,) gekleurd papier kokerwys ’t zamen geplakt; voor aan wat wyder, en dus vernaauwende op ’t end, zoo dat het tot een Cirkel gebogen naar een

Slang
Y 5