Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/386

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
347
Schilders en Schilderessen.

Zyne wyze van schilderen was, zoo wel als zyne verkiezingen, verschillig van anderen: want ik heb Zeedestukken van hem gezien, ook Spoken, die geestig en vremd van vindinge waren. Hy onthielt zig, na dat hy van Rome was wedergekeert, meest te Delf, daar hy ook gestorven is, en geneerde zich naderhand, en ondertusschen dat hy noch schilderde, met de Schildery- en Printhandel, daar hy byzonder toe bekwaam scheen, wyl hy in dat verstant was, dat die handel zoo eerlyk niet als ander soort van koopmanschappen moest gedreven worden.

Nu wy al een deel brave Konstschilders, die leden van de Roomsche Bent waren, van onzen Schouburg (hun rol gespeelt hebbende) hebben zien vertrekken, en op nieus aan dit tegenwoordige staal zien, hoe zy zig onder malkander, door geestige bedryven, en andere vrolykheden hebben weten te vermaken, lust het ons van den ganschen zwier van dit Bentleven een schets te malen.
De Bent (zeit S. v. Hoogstraten) is in onzer voorouderen tyd ingestelt, tot verkwikking der sluimerende geesten. Daar ontfangt men de groene aankomelingen met geestigen toestel, en vereert ’er met nieuwe namen van krachtigen zin. Daar spoelt men de zorg en laatdunkenden waan in zoeten Albaan af, en herwiegt men de genen, die nog niet wel gebakert zyn enz.
De wyze van ’t inhuldigen in de Bent, de potzige vertoonzelen, en ’t Bentleven heeft Bonav. van Overbeek, door Askaan in verscheiden stukken doen afschilderen, die door M. Pool in plaat zyn gebracht. Daar uit kan men zien den gantschen zwier van ’t Roomsche Bentleven, en hoe

’t