Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/387

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
348
Schouburgh der

’t ontrent de vertooningen, wanneer een nieuling ingewyd, de Benteed afgenomen werd, en op ’t Bentmaal toegaat; wanneer zomwyl om de dampen van de maag en ’t hooft meer lucht te geven, het gezelschap zig tot een omtocht of wandeling naar buiten begeeft, ’t geen wy om ons tweede Deel met een klucht te sluiten, in vaarzen hebben beschreven, zoodanig als de beteekenissen der Bentnamen ons stof en leyding daar toe aan de hant gaven: Waarom wy de namen ook niet naar het bedryf, maar het bedryf naar de namen hebben moeten schikken; op dat de zelve in hun natuurlyke zinduiding mochten geplaatst worden. Dus wy ook in ’t zelve een spiegelgevegt moesten bedenken; om zommige namen niet uit hunne beteekenis te wringen, of in te voegen waar zy niet eigen zyn, of te pas komen.
Is zulks, als wy vertoonen zullen, niet op eene stont gebeurt, het is op verscheiden tyden voorgevallen, en wy hebben daar in het voorbeelt der Tooneeldichteren gevolgt, welke alle byzondere zaken die tot een zelve einde doelen, in een bedryf doen ’t zamenloopen.

BLonde [1] Febus groots gehult,
Had den [2] Horisont vergult
En
  1. ↑ Franciscus de Wit, Hist. Schild, van Gent, dog wierd meest Apol genoemt; om dat hy ook een Dichter was, maar in beide slecht. Jan Vos (dat my in den zin schiet) maakte op een slecht stuk Schildery daar een kreupel rympje by geschreven was, dit volgende puntdicht:
     

    Dit Rym en Schilderstuk zyn eveneens van aart:
    De maalkonst deugt niet veel, en ’t rym is ook niet waart.
    Waarom of Jas het stuk niet voor het rym deed wyken?
    Om dat het rym en ’t stuk elkander zou gelyken.

  2. ↑ Jan Francis van Bloemen Lants. Schild. van Antwerp.