Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/41

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
24
Schouburgh der

Rubbens en van Dyk, die hy te Antwerpen met veel opmerken had wezen beschouwen, wees de genen die hem pourtretten wilden laten schilderen naderhand af, naar Bartholomeus vander Helst; daar by voegende, dat die zoo wel als hy, hun genoegen zoude geven door zyn vleyend penceel.
Daar op maakte hy in het vertrek van Borgermeesteren het stuk voor de Schoorsteen daar Marcus Curius de geschenken der Samniten veracht, zig met een gerecht van Rapen vergenoegt houdende. En na dit in de Raadzaal een groot stuk, verbeeldende Salomon, Godt om wysheid biddende. Zedert ook een ander van gelyken inhoudt, maar kleinder en met minder bywerk waar mede hy zyne Geboortestadt Kleef vereerde, waar voor Borgermeesteren, Schepen en Raden van gemelde Stadt hem by schriften op den 29 van Oogstmaand 1659 bedankten. In deze stukken toonde hy niet alleen hoe zeer hy de grootsheit van ordoneren maar ook de koppelinge of schikkinge der beelden, voor en boven malkander verstont, en dat hy kragt in zyne Schilderyen wist te brengen, zonder eenige bonte of harde koleuren tot behulp te nemen.
Door deze Konststukken een grooten roem bekomen hebbende, liepen nu alle zyne gedachten alleen op het maken van groote werken, gelyk hem dan ook in Slagtmaant van ’t gemelde Jaar 1659, door de Heere Borgermeesteren der Stadt Amsterdam aanbesteed wierden, acht stukken om te dienen in acht hoeken der Galery van het Raathuis, en noch vier andere wat kleinder om in de bogen geplaatst te worden. Hier toe maakte hy reeds met veel lust en yver de modellen. In de agt groote stonden verbeeld te worden, de oorlo-

gen,