Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/45

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
28
Schouburgh der

dat zoo haast hy by zyne Lantsluiden de Konstschilders in gezelschap kwam, hy straks sprak van een pyp toebak te stoppen.
Hy schilderde Beeltjes, en Gezelschappen, Italiaansche Bergwerkers en dergelyke zoort van volk, waar by hy dan eenig fraay gezicht, ’t zy van overblyfsels van Roomsche gebouwen, Grotten, Graven, of dergelyk te pas bracht. Hy stierf (na dat hy een geruimen tyd weder in zyne geboorte Stad gewoont had) in ’t Jaar 1676. Hy had ook een Broeder die een beminnaar van Schilderyen en Printkonst was, waar om ’er ook onder de Etskonst van Rembrant een printje uitgaat bekent by de naam van la Tombes printje.

Nu volgt HANS JORDAANS, geboren te Delf in de Herfstmaand 1616.
Ik had wel gewilt dat ik van dezen wat had konnen schryven, aangezien hy een groot Meester in de Konst geweest is. Hy was zoo zonderling vaardig in ’t schilderen, datmen ’t voor een spreekwoort in zyn tyd hield, dat hy zyn beelden als met een potlepel opschepte. Om welke reden de Roomsche Bent (by welke hy vele Jaren verkeert heeft, en dus weinig van zyne werken hier te lant gezien worden) hem doopte met den naam van Pollepel.
Of hy nu in zyn begin of op het eynde van zyn leven gebruik maakte van dus vaardig te schilderen weet ik niet. Maar tot Amsterdam is een stukje Schildery waar in men van hem verbeelt ziet: hoe Pharao met waagen en paarden in ’t Roode Meir verdrinkt, geheel op de trant van Rottenhaimer geschildert. Waar van bezitster is, de Weduwe van den Advokaat Muis van Holy. Hy is te Voorburg gestorven, maar in wat Jaar weet ik niet.

Zom-