JACOBUS MATHAM VITRICO SUO OPTIME DE SE MERITO ÆRI INCIDIT SCULPSITQUE GRATITUDINIS ERGO. OBIIT HARLEMI AN. CIƆ. IƆ. CXVII. I. JANUARII. ÆTAT. SUÆ LIX.
J. van Vondel, doet de zark van H. Goltzius, dus tot D. Mathan Spreken.
Wie helptme nu een Grafstee bouwen,
En Konstig op het marmer houwen,
Uw Grootvaârs heerlykheit en kunst,
Die naar zig trekt een yders gunst.
Ja teffens oog en hart der Grooten
Uit hun doorluchte en hooge slooten?
Het doet van verre d’ Afgunst wee
Dat Bajervorst en Borrome,
Ten roem van Henriks duim en vingren
Medalje en goude ketens slingren.
Om zynen hals, enz.
Ik dacht dat zyn Stadts Schryver van zyne Konstwerken, na den jare 1604 (want hy zig daar in tot het einde van zyn leven bevlytigt heeft) iets zou hebben gemeld; maar ik sloeg dat boek te vergeefs op. De Schryver heeft verzuimt die schoone paarel aan Haarlems Stedekroon te vlechten.
Heeft Athenen oudtyts by alle andere Griekse Steden gestoft dat zy ten wieg verstrekt heeft van zoo menigen vernufteling, zoo konde Haarlem ook oulings boven andere Steden van ons Gewest roemen op het voortbrengen van Konstschilders, zoo niet door verzuim, of gebrek van agtinge voor die Konst, die luister harer Stedekroon, door haren Stads Historieschryver waar afgevaagt. Dank heb-