Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/55

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
38
Schouburgh der

zenden. En nog een Webbe van 75 Ell Hollantse maat is naar Spanje verzonden, welke maar 3 pond woeg. Noch in den jare 1606, den 16 van Oogstmaand is ’er noch iets zeldzamer gebeurt. Een welbekende Borger dezer Stadt Jakob Janzen Smuisers genaamt, thans woonagtig op de Beek, op den hoek van de Warmoesstraat, verruilde in ’t gemelde Jaar aan eenen Passchier Lamertyn een stuk Lywaat zoo fyn als ooit te voren gezien was, 50 Ellen lang, voor 45 okshoofden van den besten Wyn Court, het welke ongelyk meerder bedroeg dan het bovengemelde: en dit stuk NB. was geweven van eenen Govert Willemzen, toenmaals wonende in de Barrevoeterzusteren steeg, en koste 200 Guldens van Weefloon. Het garen was zoo fyn, en strekte zoo verre, dat van een loot gewigts, meer dan vyfvierendeels lakens was geweven. Wat dunkt u, Lezer, van zoo een naauwkeurig Schryver? zou men zig niet verbeelden mogen, dat men breed van de Konstenaren by zoo een Schryver zou geboekt

vin-

    aan te geven, en te zynen Register te doen stellen, en hem cautie en zekerheit te geven, voor zyn gewoonlyke recht, en Schoolgelde, te weten van elken Jongen vyf grooten voor elk vierendeeljaars, gedurende de zelve admissie tot onze wederzeggen, en langer niet. Des te oorkonden hebben wy ’t Zegel ter zaken der voornoemde Stede van Haarlem hier beneden aanhangende den XVden July Ao. XVC negen en t’zestig.

    Was geteekent: Raat.
    In den Jare 1627, hebben alle de Byschoolmeesters, zoo Duitsche, als Fransche, aan de Heeren Borgermeesteren de ontslaginge van gemelde belastinge der Stooters bv Requeste verzocht, de welke hun ook by Apostille der Vroedschappen is vergunt en toegestaan, hebbende de Heeren Borgermeesteren tot dien einden met den Rectoor van de groote Schole over de verhoginge van zyne Jaarlykze Wedde ofte gagie ten dezen aangezien gehandelt, en verdrag gemaakt.
    Zie de Beschr, van Haarl, door S. Ampzing, p. 511.