Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/61

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
44
Schouburgh der


Hy hielt zig by de grooten groots, en by de gemeene gemeenzaam, waar door hy oorzaak gaf dat veele hem roemden.
Waar onder ook Johannes Vollenhove, die gemeenzamen omgang met hem in Engelant gehad heeft, moet getelt worden, die ook een Lofdicht hem ter eeren heeft opgezongen geplaatst in zyne Poëzy op Pagina 490, 491, 492. waar in hy de kracht van zyn penzeelsvermoogen, zoo verstandig en volkomen, dat ’er niet meer aan rest te zeggen, aldus heeft uitgedrukt:

ANIMUM PICTURA PASCIT.

O Leli, Londens dierbaar pant,
En eer van ons geboortelant,
Niet ongelyk de zuivre leli,
Vorstin der bloemen, ruim zo schoon,
Als Salomon op Judaas troon,
Van God geschat in ’t Evangeli:

Hoe eert myn dankdicht u, verplicht
Door al dien wellust van ’t gezicht!
Hoe voer myn geest met d’ogen spelen!
Hoe weiden myn gedachten noch
In zulk een’ beemt, vol zoet bedrog,
En schoonheit van uw Kunstjuwelen!

Ik zag geen verf, nog doek, ô neen,
Maar vel en zenuw, vleesch en been,
Kwam[1] Vee of Vogel ooit, bedrogen

Door
  1. ↑ Van een’ hengst, die op het gezicht van een’ geschilderde merrie brieschte; van honden, door een’ geschilderden hond tot baffen verwekt; en van eenen stier, die trek