Deze pagina is proefgelezen
46
Schouburh der
Doorzag [1] Protogenes, om hoog
Verrezen, met zyn keurig oog
Dien schat van gestoffeerde zalen,
Hy riep, door Lelys geest en gunst
Verrukt: dit ’s wis Apelles kunst:
Geen ander meester kon dit malen.
ô Kunst, van leven niet misdeelt!
Gy tart natuur met beelt by beelt,
Voor kenners altyt aangenamer.
Zo zagt, zo levendig, zo ront.
ô Schildergeest! ô eedle vont!
ô Rykdom van een Schilderkamer!
Daar blinkt de Majesteit van ’t Hof:
’t Gezigt des Krygsman vlamt op lof:
De schoonheid, ruim zo sterk, schiet lonken,
Bekwaam te spreken zonder taal,
Te heerschen, en met straal op straal
Een hart zo kil, als ys, t’ontvonken.
Hiel ’s Hemels gunst niet milt en eêl
De hand aan ’t geestig kunstpenceel,
In ’t Engelsch ryk, hier nooit verovert
Door
- ↑ Apelles, naar Rodus gereift uit lust om Protogenes kunst te zien, doch hem niet t’huis vindende, maalde eenen trek op zyn tafereel zo dun en kunstig, dat Protogenes, t’huis gekeert, terstond zag en zeide dat het Apelles werk was, als van niemant anders zoo volmaakt re verwachten. Hy voegde ’er zelfs nog een dunner trek van andere kleur by, waar aan Apelles, als hy weder kwam, zyne hant mogt kennen; maar die door een’ derden trek, in kleur wederom verschelende, van Apelles weirt overtroffen. Het tafereel, niet anders behelsende, als deze dry meesterlyke, nauwlyks zichtbare trekken, wert dusdanig bewaart, tot verwonderinge der nakomelingen: en Plinius schryft XXXV, 10, dat hy ’t zelf gezien heeft, eer het door brant verongelukte.