Door ’s afgronts list, elk riep, elk zwoer,
Van Withal tot voor by den Tour;
’t Is niet geschildert, maar getovert.
Gaan [1] Dicht- en Schilderkunst gepaart,
Van outs als Zusters, eens van aart,
Hier sprak myn lofdicht minst verwildert,
En maalde een stomme Poëzy:
Maar hier bezwykt myn toon, en gy
Hebt ook myn dichtkunst stom geschildert.
Te Londen in Wynmaant, MDCLXXIV.
Om nu den oorspronk van den bynaam Lely (als wy belooft hebben, en waar by hy alleen in Engelant bekent is) aan te duiden, zoo moet de Lezer weten dat zyn Vader, die voor hem dien bynaam gehad heeft, geboren is in ’s Gravenhage in een Huis, daar een Lely in den gevel stont; en hierom in de wandeling Kapitein Lely genaamt wierd. Gelyk ook dus de Konstschilder Abraham de Zoon van Lambert Jakobze, om dat in de voorgevel van ’t huis daar in hy tot Leiden woonde, een Tempel stond, Abraham vanden Tempel genoemt wert.
Ik heb in de Levensbeschryving van Godf. Knel-
- ↑ In Plutarchus Schriften van ’t Gebruik der Poëten en de Glorie der Atheneren vint men Simonides deze spreuk toegeschreven, en van ieder een gebruikt, dat Poëzy sprekende Schildery, en Schildery stomme Poëzy is: dewyl Poëten, zoo hy zegt, de dingen, als geschiet, verhalen, die de Schilders vertonen, als warenze tegenwoordig; en de leste het zelve door beelden en kleuren uitdrukken, dat de eerste door woorden melden; in stoffe en manier van navolginge alleen verscheelende. Maar redenen van overeenkomste dezer twee edele kunsten worden bygebragt van Fr. Junius in zyn werk van de Schilderkunst der Aalouden, I, 4.