ler aangemerkt, hoe hem inwendig smarte dat Kneller van tyd tot tyd in de gunst van ’t Hof drong, schoon hy zulks tragte te ontveinzen. Zyn Doctor die gewoon was hem alle morgen (meer uit eigen Konstliefde, als noodwendigheid om zyne onpasselykheid) te komen bezoeken voor hy aan ’t schilderen ging (waar door hem geen ondienst geschiede) wyl hy al dikwils uit denzelven vernam wat Kneller al maakte, en wat de Hovelingen daar van zeiden: kwam op een morgen terwyl hy bezig was met zyn palet op te zetten, dewyl een Dame had laten vragen, om te komen zitten. De Dokter voelde naar gewoonte zyn pols, en vond den zelven zoodanig ontstelt, dat hy hem riedt zyn rust te nemen en Medecynen te gebruiken, liever dan te schilderen: maar hy antwoordde daar geen tyd toe te hebben. Wat gebeurt ’er? de Doktor is pas vertrokken, wanneer hem een flaaute overvalt, die hem, eer de zelve te rug gehaalt was, uit dit leven wegsleepte. De Dame kwam op haaren tyd en stont verwondert, dat zyn dienaar tot haar zeide dat ’er geen gelegenheid was om geschildert te worden, en nog meer verzet, wanneer daar by gevoegt wierd dat Lely gestorven was. Dit was in ’t jaar 1680.
Dergelyk gebeurde den Konstschilder Abraham Begyn aan ’t Hof van Pruissen, August. Terwesten, verzelt met nog een stuk of twee Konstenaars, komt in de zaal daar hy zat te schilderen, om hem tot een uitspanning te nooden, dien hy antwoordde nog iets te moeten doen, daar hy maar een uur tyd toe noodig had, en dan by hen te zullen komen. Dit verricht hebbende treed hy af van den stelling, maar gevoelende eenige zwymelinge of flaaute,
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/65
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
48
Schouburgh der
hout