Wie ’t leven treft, betoont zig d’omtrek regt te weeten.
Hoe loont hy Koning best, die hem uit verwen teelt?
Met vaarzen die een kroon vol paarlen overhaalen.
Wie verf tot menschen vormt is kwalyk te betaalen.
Menigte Pourtretten, Historien waard te vereelden en zinryke vertoonzelen heeft zyn vermaard penceel in de Waereld gebracht, die tot zyn roem na blyven. Meer gemelde J. van Vondel, Vader der Nederduitsche Dichtkonstoeffenaren, heeft op zommige zyner voornaamste tafereelen, als op de afbeelding der Hoogleede Maria van Outshoren, en Juffr. Marg. van Ryn; gelyk ook op de beruchte slapende Venus Lofdichten gemaakt. Het laatste dagt ons de moeite wel dubbeld waard van uit te schryven, aangezien Vondel niet alleen in het zelve als een schilder van ’t schilderen spreekt; maar ook al van Konings Konst zeit wat ’er van gezeit kon worden, en dus my daar in heeft voor uit geloopen, en van die moeite ontlast.
Hy pryst het schoone in de konst door eigen konstwoorden en uitdrukkingen, en toont hoe hy de kracht in zyne werken door klaarheit in stee van ’t naare zwart bewerkte; in welk opzicht hy zyn meester Rembrant van ter zyde een streek geeft, die niet tegenstaande zyne beelden op den voorgront van zyne tafereelen in klaren dach stonden, zig niet ontzag (tegens de natuur aan) de lucht van agteren in eenen duisteren nagt te verkeeren. De lezer zal den steek, in ’t volgende gedicht op de slapende Venus, wel ontdekken.