Men brogt, toen lust en kunst in ’t renperk t’zamen liepen,
De schaduwe en het licht op doeken en paneel.
’T een steekt op ’t ander af. De schaduwen verdiepen.
Het licht verheft zich uit het duister. ’T eene deel
Behoeft het andere. Het voorste staat in d’oogen
Heel sterk, en ’t achterste verschiet voor ons gezigt.
’T gelyken van dees beide is van een groot vermogen.
De dwergh vergroot den reus, de hut een hoogh gesticht.
Dus baart de Schilderkonst ook zoons van Duisternissen,
Die gaarne in schaduwe verkeeren, als een Uil.
Wie ’t leven navolgt kan verzierde schaduw missen,
En als een kint van ’t licht gaat in geen scheemring schuil.
Hy schildert zonder schim en schaduw. Zoo volgt Koning
De heldere natuur: en vraaght men waar dit blykt?
Bezie dit heerlyk stuk, de levende vertooning
Van Venus, die hier slaapt, en geen schildry gelykt,
Noch verf, maar Vleesch en bloet. Jupyn komt neêrgestegen,
Verslingert op het schoon van een volschapenheit,
Niet in zyn eigen schyn, maar als een goude regen.
Heeft Zeuxis kloek penceel de Vogels zelfs verleit,
Hier wort het hooft der Goôn door schildery bedrogen.
Zoo wort de Schilderkonst allengs in top voltogen.
Hy stierf tot Amsterdam, wanneer men schreef 1689 in Wynmaant. Zyn beeltenis gevolgt naar zyn eigen afschildering zietmen in de Plaat B 3.
In dezen tyd leefde tot Alkmaar de Konstschilder ZACHARIAS PAULUSZ. Deze schil-