Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/75

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
58
Schouburgh der

hem met rede onder de Konstenaars tellen mag, aangezien hy doorgaans in zyne Historische verbeeldingen, op grootse voorwerpen doelde. Boven dien was hy boeklievende en een groot beminnaar van de Dichtkonst, om welke reden hy ook omgang met de braafste Dichteren, inzonderheit met Joannes Antonides hield. Hy was een lit van de Rhetorykkamer te Vlissingen daar hy woonde, waar hem door ’t Konstgenootschap in den Jare 1675, om zyn beknopt en sinryk antwoort op de voorgestelde vrage de hoogste prys werd toegewezen.

JAN de GROOT geboren tot Vlissingen, in den jare 1650, heeft hem tot eerste onderwyzer in de Konst gehad. Naderhant in den jare 1666 Adriaan van Ostade, en eindelyk Frans de Jong van Haarlem. Hy verwisselde in zyn oude dagen het penceel voor de Koffynering; dog zyn Konstliefde verliet hy niet, maar dreef zomwyl een handeling met Schilderyen Teekeningen en Printkonst.

Nu eens een tusschenpoozing Lezer.

Wy hebben in het Iste Deel op pag. 98. 99. 100. gesproken van alle de gereedschappen welke de Heidenen tot hunne offerslagtingen gebruikten, en vorder al wat tot die wyze van Godsdienst gebruikt werd, uit oude Schryvers betoogt, en in een printverbeelding (gevolgt na de Roomsche Medaljes en andere gedenkstukken) op pag. 104 doen zien: met een aanhangsel van het zelve op pag: 143; op dat een Konstoeffenaar, dusdanige voorwerpen willende verbeelden, de ware gedaanten dier dingen gereed aan de hand hebbende, de misslagen, welke dikwils daar ontrent begaan worden, zoude konnen vermyden.

Maar