Maar ’t zal licht een Konstschilder lusten, om zaken van nog woeliger omslag te vertoonen, als by voorbeeld een Romeins Bevelhebber, daar hy in den drom van ’t Krygsvolk op een verheven bordes van opgestapelde aardzooden in ’t open velt zyn aanspraak doet; of daar een Veldoverste van de Soldaten voor Keizer word uitgeroepen.
Zulke gevallen gingen altyd verzelt met de Veltbanieren, en Legioenvaandelteekenen, welke nevens andere byvoegselen den aanschouwer van al zulke tafereel verbeeldingen straks (zoo hy wat belezen is, of in de oudheidkunde bedreven) aan de merkteekens op de Vaandels doen zien, wat gevallen de Konstschilder verbeelt heeft. Uit dien hoofde heeft ons der moeite waard geacht, de veltteekenen der oudtydsche volken na te speuren, en op een lyst dus by een te brengen:
De Egiptenaren voerden in hunne Legervaandels dry gekronkelde slangen die op yder bogt met een klimblad geteekent waren.
De Babyloniers een Duif: doch in den tyd van Semiramis drie groote kroonen daar in ieder een Olyfant stont.
De Syriers drie balken waar van de een dubbelt de ander enkeld getrapt was.
De Grieken twee platte kroonen (Diadema) en een doorgaanden Balk met drie neergaande sporten of anders het Vuur, of den Blixem.
De Athenienzen den [1] Nagt-Uil. Os, of Koe
- ↑ Behalve dat de Nacht-Uil de stempel van de Atheensche Geltmunt is, zoo ziet men die ook op een penning van Domitiaan. Antonius en Nero, en wort gegist dat hy deze ter gedachtenisse van zyn Atheensche Reis heeft doen munten. Aangezien nu een Uil, of Os, de gemeene stempel van ’t Atheensche gelt was, zoo is hier uit (als