De Korinters Neptunus beeld, op een Eilandeken tusschen twee Zeën gezeten.
De Turken deden outtyds in hunne legervanen schilderen het zwaart van Alis, ’t welke zy Sulficar noemen. Als blykt uit het geen Camerarius uit Leunclavius daar van aantrekt, die daar by verhaalt: Dat de Fabel melt, dat, als Alis zyn Sulficar uit de schee trok, de zelve zig in tween deelde, elk deel achtien ellen lang, en dat Alis gebruikende dit zwaart tegens de Gauren (dus noemen zy met verachting de Kristenen) hen ter regter en ter linker zeide wegmaayde, gelyk de mayers het gras op ’t velt. Zeker de Schryver had ’er niet behoeven by te schryven dat het een fabel was; want het zou zyn werk aan hebben om het een Westphalinger Boer te doen gelooven. Wy halen ’t met dat oogmerk ook niet aan; maar alleen om aan te duiden dat dit veltteeken daar uit ontsproten is.
De Lacedomiers de letter Λ of een Draak.
De Tessaloniers een Paerd.
De Kappadociers een Weegschaal met zeven Kruissen daar om henen.
De Macedoniers een Pinknots tusschen twee Hoornen.
De Lybiers drie Hazen.
De Meden drie Kronen, of twee Baaren, kruiswys gelynt.
De Beotiers een Sfinxs.
De Cimbren een Wilden Os, of Stier, en de
iemant door gelt omgekocht was, om te zwygen daar hy spreken moest) deze spreekwyze ontsproten: De Ossen hebben hem de tong af gebeten, of de Uil belet hem te spreken.