kranssen te vercieren; ’t geen Klaudianus naar deze vertaling heeft doen zeggen:
De Leeger-Teekens bloeyen
Van Bloemen, en het Loof schynt om de Spies te groeyen.
En dus ziet men op een penning van Titus Vespasianus, dat een Overwinningbeeld, het Vaandel met een krans versiert, penning 6 vertoont. Waar omtrent Oudaan aanmerkt, dat deze plechtigheid plag aan de Legerteekenen beweezen te worden, niet alleen in vreugdetyd met Bloemkranssen; maar dat de zelve ook op hooge Feestdagen gezalft wierden, ’t geen hy bevestigt met het opschrift van een ouden brok Marmersteen. (aangetrokken in zyn Roomsche Mog: p: 529) waar op te lezen staat Coronis. Inlatis. Signisque. Unctis. Dat is: Kranssen aangehangen, en Krygsteekenen gezalft. En aangezien de Konstschilders ook dikwils Bybelstoffen tot hun voorwerpen nemen, hebben wy ook de Banieren, of Veldteekenen der xii stammen Israëls (om den agtergront van ons Printtafereel te vullen; gevolgt na de afteekeningen die W. Goeree daar van vertoont in het IV Deel van de Mosaïsche Historien pag: 428) vertoont, zoo, en in die orde als de zelve onder hunne Hoofdbanieren optrokken.
| 1 Hoofdbanier. | ||
| B. | A. | C. |
| ZEBULON, | JUDA, | ISASCHAR. |
| 2 Hoofdbanier. | ||
| E. | D. | F. |
| SIMON, | RUBEN, | GAD. |