Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/89

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
70
Schouburgh der

Konstschilders van ons (hoe veel navragens wy ook daar na deden) niet heeft konnen opgespeurt worden, als ook hun Beeltenissen, hoe graag wy gezien hadden dat die nevens hunne Levensbeschryvinge in ons Boek na malkander zig in print hadden doen zien. Dit zou ons ook gebeurt hebben met den grooten Haarlemschen Konstschilder
PHILIP WOUWERMAN, zoo my zyn begravenisbrief, bestempelt 1668 niet waar in handen gekomen, daar de oude Vinçent vander Vinne in dien tyd, op geschreven had, dat hy was gestorven in zyn 48 jaar.
Zyn Vader Paulus genaamt was een Historyschilder, doch van geringe soort, en woonde te Haarlem, gelyk my van oude Haarlemiten verhaalt is. By deze is het bedenkelyk dat Philip (welke de oudste van zyn Broeders was) de beginselen van de Konst geleert heeft, ten minste de zucht tot de Konst door de geboorten over geërft. Het zy daar mee zoo ’t wil, ons straalt van allen kanten toe, dat hy van zyn begin af Mecenassen heeft ontmoet, die hem zoo hoog boven de Nyd hebben opgebeurt, dat zy hare klaauwen aan hem niet slaan konde. Dus mach hy wel onder de gelukkige Schilders getelt worden.
Niemant moet my verdenken, als of ik beweren wilde dat het geluk der Konstschilders alleen van hunne begunstigers of ’t blint geval afhangt, geheel niet; de werken moeten vasten gront hebben om den maker op te beuren; want dan is de roem bestendig die anders van korten duur is, en als rook verdwynt. Maar ik noem zulke Konstschilders gelukkig, welke in hun leven Mecenassen ontmoeten die hunne Konstwerken roemen en naar waarde beloonen, en in tegendeel zulke on-

ge-