Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/91

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
72
Schouburgh der

anderingen in zyne penceelwerken. Daar en boven heeft hy alles zoo eygen, en natuurlyk, of in zyn natuurlyken aart weten te verbeelden, dat de Beeltjes hoe klein zomwyl, met den eersten opslag beduiden wat zy verrichten. Zelf in ’t verbeelden van byzondere gevallen heeft hy dingen waargenomen die byna niet te bedenken zyn, dan van die welke die gevallen hebben by gewoont.
Ik heb verbeeldingen van strooperyen en plunderingen van dorpen, en gehuchten van hem gezien, waar in de moedwil der soldaten, de schrik en bedeesdheit der overrompelden, zoo natuurlyk, zelf in de wezens was waargenomen, dat de zelve schenen te spreken; dat een bewys is, dat hy alles met groote opmerkinge verricht heeft: en dat hy zyn penceel zoo gereed ter uitvoering gehad heeft, als zyne bedenkingen, blykt aan het onnoemelyk getal van konststukken, waar mee alle beruchte, zoo binnen als buitenlandsche kabinetten, en konstvertrekken pronken.
Ziet men Bataljes van hem verbeelt, men ziet het driftvuur Paard en Ruiter uit de oogen schitteren, in de vlugtigen de vrees, in de verminkten de pyn, en in de afgemaaiden de doodverf op de lippen geschildert.
Daar en boven heeft hy ook inzonderheit zyn Konst en oordeel doen blyken, in de welstandige schikkinge van zyne werken: in de konstige verdeelingen van lichte voorwerpen tegens bruine, en weder bruine tegens lichte, niet met verspreide flikkeringen die ’t oog des aanschouwers dan hier dan elders na toe trekken, maar in breede partyen, waar door het oog op het voorname blyft gevestigt. En wat zyn penceelbehandeling aangaat, de zelve is smeltende, vet, en toetsende. En dus

ont-