Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/93

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
74
Schouburgh der

zyn tyd wierd de Konst van Wouwerman, om het lieffelyk Penceel, en aangename voorwerpen al van elk bemint; het geen dat den voortgang van zyn stukken (die ’er somwyl wat droevig en donker uitzagen) vertraagde. Doch dit zou ’t hem niet alleen gedaan hebben, wyl de Konst van Wouwerman inzonderheit in dien tyt niet tegens de zyne konde ophalen; maar dit kwamer by. 1 Dat hy niet spaarzaam was wanneer hy gelt had. 2 Dat hy zyn Konst niet tot lager prys geven wilde, dan hy gewoon was te Rome daar voor ’t ontfangen. 3 Dat hy weinig voortkruyers had. 4 Dat hy voor Keelbeulen, (Konsthandelaars wil ik zeggen) niet wilde schilderen, of hun eenig voordeel geven, die hem gevolggelyk dan ook lieten dryven. Dit maakte hem droefgeestig, en mistroostig, dog hy bleef egter styfkoppig zonder iemant ten gevalle te komen, waar door hy zich in een armoedigen staat bragt; zoo dat hy zyn huiswaart, en naaste bloedverwant, een broodbakker by wien hy ’t huis lag, zakgelt moest afvergen, die ’t hem weigerde te geven zeggende: dat ’er 200 gulden voor een zyner stukken geboden wierd, waarom hy die niet liet glippen en zig daar van bediende? Dit kropte hy almee op by de rest. Maar ’t geen hem wel ’t meest aan ’t hart ging, was, dat de oude Jan de Wet Schilder en Konstkooper die hem die gemelde som gelt geboden had, hem de weigering betaalt zette. Wouwerman die dit gemelde stuk nu dikwils en met groot opmerken beschout had, werd van de Wet verzogt, een stuk van de zelve grootte en inhoud te maken, ’t geen hy volgens het vaste denkbeelt dat hy daar van had, werkstellig maakte. Dit gedaan zynde bracht gemelde de Wet alle soort van konst-

be-