een oogwit hebben; zommige zullen de gemeene wegen gaan, andere toepaden inslaan, en daar door hunne makkers voorkomen, om eerder tot hun bedoelinge te geraken.
’T is bedenkelyk dat Pieter ook al zyn vlyt en yver zal hebben ingespannen, gespoort door zyn Broeder, die hem in de Konst voor uit draafde, maar is doch altyd agter gebleven. Egter moeten wy zeggen: dat hy een fraay Konstschilder geweest is, in dat deel der Konst, ’t geen hy voor zig verkoren had.
Jan hun jongste Broeder was een Lantschapschilder, en oeffende die Kunst mede tot Haarlem. Maar van zyn Penceelkonst siet men weinig, om dat jong gestorven is; te weten in ’t jaar 1666, twee Jaar voor zyn oudsten Broeder Philip, die op den 19 van Bloeimaandt 1668 zyn leven eindigde. Tot Haarlem by L. vander Vinne heb ik een van zyne Penceelwerken gezien, ’t geen een Bergagtig Landschap verbeeldde. Voor aan was een bruine voorgrond, met ruygt en onbesnoeit geboomt beplant, waar tegen zig ’t verschiet klaar en helder gedaagt als in een lage valey vertoonde. De voorgrond inzonderheid was geestig, brokkelig, en in d’eygen kleur geschildert, als men de zelve van Philip in zyn vroegen tyd ziet, toen hy de gronden wat eenkleuriger schilderde, dan naderhand.
Wat roem oudtyts Athene de School der Geleertheid gehad heeft: hoe in later tyd Rome, de kweekschool der Schilderkonst geacht wiert te wezen: als ook hoe zy hare Leerlingen uit alle oorden, om hare schoone voorwerpen, heeft weten uit te lokken; ja met hoe groote drift velen