Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen 1719 vol 2.djvu/96

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
77
Schilders en Schilderessen.

hun Vaderlant vaarwel zeiden, derwaarts zig wendende, om hunne zucht, en neiginge te voldoen, hebben wy meer als eens voorheen aangewezen, en staat nader bekragtigt te worden, door het voorbeeld van den voornamen Konstschilder
JAN BABTISTA WEENINX gebynaamt de Ratel[1] geboren tot Amsterdam in ’t Jaar 1621.
Zyn Vader Jan Weeninx was een vermaard en Konstig Boumeester, waarom hy ook door de wandeling genoemt wierd, Jan met de Konst. Deze hem te vroeg, en als hy noch maar een Jaar oud was door de dood ontrukt, geraakte hy onder het bestier van zyn Moeder en Voogden die hem, die byzonder leesgierig was, by een Boekverkoper bestelden, om verstant van den Boekhandel te krygen. Maar wanneer zyn Meester met hem niet konde te recht raken, doordien hy in stee van acht op den Winkel te slaan, alle Papier dat hy maar bekomen konde beteekende, zoo bestelden zy hem in een Lakenwinkel, maar het was al ’t zelve, waarom hem zyn Moeder, om dat hy niet anders doen wilde, en zy hem van harte beminde, hem ten gevalle bestelde om de gronden van het teekenen te leeren by eenen Jan Micker, een gemeen Schilder; naderhant by den vermaarden Abraham Bloemaart tot Uitrecht. Daar won hy in korten tyd veel in de Konst aan, en besteedde zelfs zyn buiten tyd neerstig in ’t teekenen naar ’t leven, zoo wel van oude vervalle Schuuren, Huizen, als andere dingen die hem teekenagtig voorkwamen. Eindelyk leerde hy nog omtrent twee Jaren by Nicolaas Mojert, wiens behan-

deling
  1. Deze bynaam kreeg hy in de Roomsche Bent, omdat hy zig wat verhaastte in ’t spreken, en wat stootende sprak, ’t geen hy uit een soort van beroertheid gehouden had.