Naar inhoud springen

Pagina:De Katholieke Illustratie vol 001.pdf/56

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

46

het vertalen der Kerk, de plegtigheid der benoeming tot Ridder der Orde van het Gulden Vlies, allen van baron Leijs, doen aan de 16e eeuw denken; de huizen, de rijk behangen zalen, de kromme en naauwe straten, de personen, hunne houdingen, wapenen en harnassen, alles doet aan een tijd denken, die geheel tot het verledene behoort en nog slechts in de geschiedboeken voortleeft.

Adolf Dillens is een opmerker van het land; zijne Bruiloft op Zuid Beveland geeft de zuiverste afbeelding van het Zeeuwsche landleven; niets ontbreekt er aan; de bruid is lief en een weinig bloo, de bruidegom in de wolken, de moeder weent, de bruidegomsmeisjes lachen, de knapen schertsen, de pastoor zet het geheel iets deftigs bij en de schoolmeester, die zijn dichterlijk talent in zang en vers ontboezemt, zorgt voor onze ongekunstelde vrolijkheid.


(Wordt vervolgd.)




DE VOS.



De vos is een jager en een looper van de eerste soort; honig en druiven versmaadt hij niet, doch hij gebruikt ze enkel als lekkernij; ook eet hij wortelen en groenten maar in afwachting van iets beters. Minder sterk en geheel anders gebouwd dan de wolf vergenoegt hij zich met eene onderaardsche woning; ofschoon hij van minder goede wapenen voorzien is dan de das en andere dieren, weet zijn vernuft, zijne list hem tot een goed einde te doen komen; metselen is zijn vak niet, maar hij is een uitmuntend architekt; meestentijds laat hij aan anderen over zijne woning te vervaardigen; hij vergenoegt zich haar te voltooijen en aan zijn doel dienstbaar te maken. Als hij een plaats gevonden heeft, waar hij zich wil vestigen, onderzoekt hij de holen en loopgraven der konijnen en eigent zich na een langdurige en scherpe waarneming van hunne ligging en toestand, dat wat hem het best bevalt, toe; dan vergroot en rigt hij het naar zijn smaak in. De woning van den das, voorzigtigheidshalve uit onderscheidene kamers, afgezonderde vertrekken, slingerende loopgraven zamengesteld, is het best; naar zijne gading; om den eigenaar te verjagen speculeert hij op diens bekende zindelijkheid. De vos nadert op een goeden morgen den ingang van de woning van den das en bezoedelt dien met drek en vuilnis; de das haast zich alle onreine stoffen weg te nemen; do vos herhaalt den volgenden morgen zijn werk en zoo lang tot het den das verveelt, die niet beter weet dan zich elders eene woning te gaan bouwen. Het regt van den slimme heeft hier gezegevierd; gewoonlijk is de geroofde woning den vos nog niet veilig genoeg; hij haast zich er nieuwe uitgangen aan te maken; men heeft zelfs ontdekt, dat een vos zich langs een steile rots, die over een diepen afgrond hing, moest laten afglijden om aan den ingang zijner woning te komen. Het is hem evenwel met genoeg eene gemakkelijke en zekere woning te hebben; hij leeft niet als kluizenaar, hij rust, slaapt en zoekt er zijne toevlugt in, maar het grootste gedeelte van zijn leven brengt hij in de vrije lucht door; gewoonlijk is hij op de jagt.

De plaats zijner woning is geen gering punt van onderzoek bij den voorzigtigen vos; bij voorkeur kiest hij de nabijheid van digte heggen, struiken, holle boomen, waar hij het wild bespieden of bij gelegenheid zich kan verbergen; hij bestudeert onophoudelijk den omtrek zelfs als hij zijne woning reeds gevestigd heeft; iedere dag vindt hem op eene nieuwe inspectiereis, zoodat hij welligt nog grooter strategist dan architekt is.

Zooveel naauwlettendheid regtvaardigt de reputatie van slimheid, die Reintje altijd genoten heeft. De fabeldichters hebben het zinnebeeld van loos- en schelmsellheid van hem gemaakt, omdat zij onder het masker van den vos den mensch ten tooneele wilden voeren; men heeft hem echter onregt aangedaan; hij is opregt in al wat hij doet, eerbiedwaardig tot zelfs in zijne streken; hij gehoorzaamt de natuur, die zich ernstig en wijs in al hare werken vertoont, die dichtstukken vervaardigt in ieder genre. Verpligt om onophoudelijk zijne prooi te bespieden en te trachten zelf buiten schob te blijven, moet de vos wel behendig wezen; ook is hij het in den hoogsten graad. Zie hem loopen: elk oogenblik staat hij stil, den kop omhoog, de ooren gespitst; bij het minste gedruisch springt hij ter zijde of verbergt zich. Ontmoet hij op zijn weg een bevrozen stroom, hij steekt den poot vooruit, onderzoekt het ijs, en zoo het hem niet sterk genoeg toeschijnt, gaat hij terug en slaat een ander pad in. Bij het naderen zijner prooi hoort men het gras naauwelijks zich buigen; zijne pooten schijnen zelfs den grond niet aan te raken; hij legt zich neder, houdt; zijn scherpen blik onbewegelijk gerigt en springt eindelijk toe. Heeft hij ontdekt dat de mensch zijn woning heeft bemerkt, aanstonds verwijdert hij zich en gaat, elders een das verjagen.

Het meest worden de vossen gevangen in April, maar dan is het ook de tijd, dat zij jongen hebben, wat dikwerf oorzaak is, dat, zij niet zoo voorzigtig kunnen zijn, als hun aard medebrengt; de noodzakelijkheid om de jongen te voeden doet wel eens noodige voorzorgen verwaarloozen; de moeder is dan vooral onverzaagd; zij voorziet het gevaar, treedt terug, maar bewogen door de klaagtoonen van de acht of tien hongerige monden, die zich tot haar rigten, besluit zij, waagt en wordt gevangen. De jongen kennen niets van de wereld, verlaten zonder vrees het hol en vinden den dood bij de eerste schrede. In andere omstandigheden laten de vossen zich zoo gemakkelijk niet vangen; zij weten de strikken te ontdekken en vermijden ze; men heeft er aangetroffen, die zich veertien dagen in hun hol opsloten en het niet verlieten dan in den uitersten nood, toen hun geen andere keus overbleef dan gevangen te worden of van honger te sterven; sommigen hebben alleen hunne nagels in de strikken gelaten; is er een konijn in de nabijheid, dan laten zij dat den tol betalen; zij lokken het naar den strik en is het dier gevangen, dan waagt de vos den sprong voorbij de onschadelijke machine en is gered. De reiziger Steller, die op het eiland Behring overwinterd heeft, verhaalt van vossen, die het vleesch wisten op te sporen, dat in den grond in vaten begraven was; hing men het vleesch aan palen, dan groeven zij den grond om, tot de paal omverviel.

Willis zag een vos haastig om een boom loopen, waardoor een kalkoen die op een tak zat en zijne bewegingen volgde, naar beneden tuimelde en Reintjes prooi werd.

Een dienstmaagd, in het kippenhok gekomen, vond al het pluimgedierte verworgd op den grond liggen en in het midden er van een vos; „zoo” zeide zij, „de roover heeft zoo lang gegeten, dat zijn maag zeker gebarsten is,” en dit zeggende wierp zij den vos, dien zij dood waande, op een mesthoop waarvan het slimme dier gebruik maakte om te ontvlugten.

Zeker is het waar dat de vos dikwerf den mensch groote schade toebrengt, door het rooven van kippen en ander pluimgedierte, maar niet minder waar is het dat hij, vooral als hij jongen heeft, den mensch van veel schadelijk gedierte als ratten, muizen, en dergelijken verlost.




EEN EN ANDER OVER MEXIKO.



Sedert keizer Maximiliaan zijne zucht naar eene kroon en zijne droombeelden van volksbeschaving met een smadelijk en dood heeft moeten boeten, wordt het publiek als het ware door Mexiko-lektuur overstroomd. En geen wonder. Het schandelijk feit, te Queretaro gepleegd, heeft den grootsten indruk in alle Europesche staten te weeg gebragt, en iedereen is verlangend nadere bijzonderheden te vernemen aangaande een land en eene bevolking waar de regeringloosheid sinds eene halve eeuw als een inheemsche epidemie heerscht, en men even weinig waarde hecht aan de vertoogen en smeekingen van schier al de Europesche monarchen als aan het leven van gekroonde hoofden.

Het is ons daarom aangenaam door tusschenkomst van eene vriendenhand enkele bijzonderheden betreffende dat, rampzalige land en zijne even rampzalige bewoners te kunnen mededeelen. Het is niets meer dan eene ruwe schets, doch die in scherpe trekken het karakter en de zeden der Mexicanen doet uitkomen.

Zoodra men te Vera-Cruz, zoo verhaalt onze berigtgover, voet aan wal zet, den hemel dankende dat de muskieten ons niet geheel onkenbaar gemaakt hebben, gevoelt men zich onaangenaam gestemd door alles wat men ziet. Vera-Cruz is eene vuile, onaanzienlijke stad aan een onherbergzaam strand, een waterlooze zandvlakte gelegen. Het is bijna niet mogelijk een onderkomen te vinden, waar men niet walgt van de onzindelijkheid, die er heerscht. Het riekt bijna overal naar traan en bedorven visch. Er zullen natuurlijk wel woningen zijn, waar ook een Europeaan goed zou kunnen leven, doch er is zeker geen enkel logement te vinden, waarin men zich langer ophoudt dan hoog noodzakelijk is. Alles wat men aanraakt is vettig; alles wat uit de keuken komt smaakt naar zalf of kaarsvet. Hierbij komt nog dat er voortdurend groot gebrek is aan zoet water, ten gevolge waarvan het dan ook bijna niet gebruikelijk is dat de inboorlingen uit de lagere klassen zich wasschen. Ook heeft de bevolking de gewoonte om al de vuilnis in de open lucht te laten liggen, die wanneer zij tot verrotting overgaat, de lucht met verpestende dampen vervult. De gele koorts is dan ook een trouwe gast te Vera-Cruz, die voortdurend duizenden slagtoffers maakt.

Het is dus zeer natuurlijk dat de vreemdeling, die naar de hoofdstad reist, zich zoo kort mogelijk in de afzigtelijke havenplaats ophoudt. Er loopt door het geheele land een gebaande weg, waarvan een gedeelte naar de hoofdstad voert. Regelmatig vertrekken van Vera-Cruz naar Mexiko langs dien weg diligences, doch deze worden minstens eenmaal in de week aangerand; de voornaamste personen uit het gevolg des keizers zijn daarvan niet verschoond gebleven. De reizigers, die zich bij zoodanige gelegenheid in het voertuig bevinden, worden natuurlijk beroofd, letterlijk uitgeschud; terwijl zij welke zich ernstig verzetten, zonder omwegen naar de andere wereld worden gezonden. De kondukteur die aan zoo iets gewoon is, wacht geduldig zijn tijd af, zet zich daarna weder op den bok, en voert de diligence naar de naastbijgelegen stad. Daar weef hij gewoonlijk een middel te vinden om zich van de verpligting, welke op hem rust om de reizigers naar hunne bestemming te voeren, te ontslaan. Nu eens heet het dat de roovers ook hem van zijn geld beroofd hebben; dan weder is er een groot gebrek aan het rijtuig ontstaan: altijd weten zij er zich van af te maken. Op de bedreigingen der vreemdelingen — die hem voluit betaald hebben — dat zij een aanklagt, tegen hem zullen indienen, verwaardigt hij zich niet eens te antwoorden, wel wetende dat de policie in Mexiko even ver te zoeken is als een eerlijk man. Er blijft voor de reizigers nu niets over dan zich tot den konsul te wenden, die hen, wanneer zij hunne legitimiteit kunnen bewijzen en voldoende waarborgen bezitten, zooveel geeft dat zij zich van kleederen voorzien en hunne reis kunnen voortzetten. Menigeen moet echter het medelijden der menschen inroepen om niet van ellende om te komen.

Zij, die hunne kredietbrieven gered hebben of, uithoofde van hun aanzienlijken stand, door tusschenkomst van den konsul geld kunnen krijgen, meenen nu zeer voorzigtig te handelen met niet verder van een diligence — het voertuig der aanzienlijken — gebruik te maken, maar zich als iemand uit den minderen stand voor te doen, ten einde zoo de aandacht van zich af te leiden. De Mexikanen zijn echter even slim als oneerlijk. De reiziger koopt nu een muildier, een paar goede revolvers en een sabel en begeeft zich in een mantel gewikkeld op weg. Hij heeft niet veel klinkende munt bij zich en het bankpapier eigenhandig op verschillende plaatsen tusschen de voering zijner kleederen genaaid. Hij is thans in de gelegenheid om de schoone ligging en den weelderigen plantengroei te bewonderen, die nu begint en allengs toeneemt, doch tevens om met eigen oogen te zien, hoe zelfs het vruchtbaarste land der wereld door regeringloosheid en voortdurenden oorlog een woestijn kan worden. Overal is volslagen gebrek aan de voornaamste middelen tot ontwikkeling van den landbouw. Toen de Azteken in het rijk heerschten, hadden zij kanalen gegraven en door ijzeren volharding doelmatige waterwerken te voorschijn gebragt, waarvan de sporen hier en daar nog zeer goed te zien zijn. Thans ziet alles er even vervallen uit; hier en daar vindt men nog wel een smalle strook water, die uit de rotsen voortkomt, doch die kleine bron wordt; nu en dan door menschen en beesten letterlijk uitge-