47
zogen. Onder de Azteken had het land vijftien, thans nog slechts acht millioen inwoners. Kan er welsprekender feit, aangehaald worden? Terwijl gij, op uw muildier zittende, over dit alles nadenkt, verdwijnt de zon, en is het eensklaps avond, zoodat gij u moet haasten om een nachtkwartier te zoeken. Wij zullen eens aannemen, dat gij zoo gelukkig zijt om uit eenige lichten op korten afstand te kunnen afleiden, dat gij u m de nabijheid van een stadje bevindt. Daar aangekomen zijnde zoekt gij 'te vergeefs naar een logement; wat men daar van dien aard vindt zijn slaaphuizen voor landloopers, waarin een fatsoenlijk man onmogelijk zijn intrek kan nomen. Gij wordt echter spoedig uit uwe verlegenheid gered door de eigenaardige gastvrijheid der Mexikanen. „Caballero,” zoo spreekt u iemand toe, „wanneer de hemel mij de gunst wilde bewijzen van u een blijk mijner gastvrijheid te mogen geven, zou ik mij zeer gelukkig achten.” Dit aanbod, op de goedhartigste en eenvoudigste wijze van de wereld gedaan, wordt natuurlijk door u aangenomen. De gastvrije Mexikaan voert u naar zijne woning, die er lang niet welvarend uitziet, doch waarvan gij, uit gebrek aan iets beters, gaarne gebruik maakt. Gij wordt reeds aan de deur onder allerlei buigingen door de vrouw en de dochters van uw gastheer ontvangen, die u den besten stoel aanbieden welken zij bezitten, terwijl de man zich beijvert om uw valies te bergen en uw muildier te verzorgen. Men stelt u het avond-eten voor, dat bestaat uit gebakken koeken en gebakken boonen met pulque, een soort van brandewijn, die een walgelijken nasmaak heeft, en daarna wijst men u de plaats aan waar gij zult kunnen slapen, bijaldien de vlooijen en ander vrij wat minder fatsoenlijke insecten u dit niet verhinderen. Den volgenden morgen wordt gij weder even beleefd en hoffelijk ontvangen, en men onthaalt u op een ontbijt dat uit chocolade, koeken en gebakken boonen bestaat. Wanneer uw gastheer uw muildier gezadeld heeft, en gij hem een geldelijke belooning wilt geven, blijkt het dat gij hem zeer verkeerd beoordeeld hebt. „Gij beleedigt mij, Caballero,” zegt hij op fieren toon, „ik ben een Kreool.” Het kost u moeite om de dochters des huizes te bewegen, iets van u aan te nemen om daarvoor een klein sieraad te koopen; zij doen dit dan ook eindelijk alleen om de herinnering aan uw kortstondig verblijf levendig te houden, en gij verlaat het huis en het, stadje met diepe deernis over het beklagenswaardig lot van de bewoners, die wel is waar lui, vadzig en onzindelijk zijn, maar toch doorslaande bewijzen geven dat het hart op de regte plaats zit. De gastheer reikt u vriendelijk de hand toe, nadat hij u op uw muilezel geholpen en uw valies nogmaals goed vastgemaakt heeft, en de vrouw en de dochters maken weder buigingen en roepen den zegen des hemels op uw hoofd af.
Die goede gedachten blijven u echter slechts zoo lang bezielen, tot dat gij uw valies geopend hebt, en het blijkt dat, u enkele voorwerpen ontvreemd zijn; het duurt ook niet lang of gij komt tot de overtuiging, dat uw vriendelijke gastheer een oog en ook eenige vingers gehad heeft tusschen de voering uwer kleederen. Wat nu te doen? In de eerste opwelling uwer verontwaardiging laat gij uw muildier regtsomkeer maken om aangifte van den diefstal te doen; doch tot wien zult gij u wenden? Tot de overheid? Waar is die overheid te vinden, waar is uw bewijs? En hebt gij buiten dien uit, het geval met den kondukteur der diligence niet geleerd, dat men in Mexiko nog wel overheidspersonen maar geen regt en bescherming kan vinden? Gij troost u met een diepe zucht in uw lot en eindigt met u nog gelukkig te achten, dat uw gastheer niet al de naden uwer kleederen losgemaakt, en u slechts een gedeelte van uw eigendom ontvreemd heeft.
Op denzelfden avond viert men intusschen in de stad, die u heeft geherbergd, een luidruchtig feest. De vrienden van uw gastheer wisten reeds bij uw vertrek, wat er gaande was; waren zij niet verzekerd geweest van hun aandeel in den buit, er zou een wedstrijd in gastvrijheid hebben plaats gehad. Zij worden uitgenoodigd om des avonds een Tertulia op de Piazza bij te wonen. Ieder brengt een vetkaars mede. Er wordt gespeeld, en de gastheer houdt bank van uw geld. Men drinkt brandewijn, niet den walgelijken, welken men u heeft voorgezet, maar Aguardiente, den besten, die te vinden is. Eindelijk wordt de Bolero of de Fandango gedanst, en de bijeenkomst loopt uit in een braspartij, waarbij op uwe gezondheid wordt, gedronken. Ik weet niet of er ook beambten der policie aan deelnemen, maar het is zeker, dat zij zeer goed weten wat er voorvalt.
Er blijft u niets over dan de reis voort, te zetten en uwe waakzaamheid te verdubbelen, ten einde niet geheel uitgeschud te worden. In de nachten wordt gij bont en blaauw gebeien door gevleugelde, kruipende en springende insekten, doch de mensch weet, zich aan alles te gewennen; ten laatste weet, gij niet beter of het behoort zoo. Gij wordt daarvoor dan ook gedeeltelijk gedurende den dag schadeloos gesteld, door de prachtige natuur, welke zich alom aan u voordoet. Op een verkwikkenden morgen rijdt gij door een dal dat meer dan eenige andere plek der aarde den naam van aardsch paradijs verdient. De romaneske omgeving doet alle teedere snaren in u trillen; gij denkt, aan uw vaderland, aan allen die u lief zijn; aan eene teedere moeder, die gij bij vertrek in tranen achterliet, aan een zorgenden vader, aan uwe broeders, zusters en vrienden, en de herinneringen aan het verledene doet u geheel in droomerijen verzinken. Daar laat zich eensklaps een knal hooren als een donderslag bij een helderen hemel. Uw muildier stijgert en werpt u, ofschoon gij een goed ruiter zijt, uit den zadel; het arme dier bloedt deerlijk. Alvorens gij tot bezinning zijt gekomen, gevoelt gij u van alle zijden aangevat; uwe elleboogen worden op den rug vastgesnoerd, en er treedt een Mexikaan voor u met een ontzaggelijk grooten knevel, hooge rijlaarzen met sporen en een breed geranden hoed op het hoofd. Hij maakt een zeer hoffelijke buiging voor u en zegt: „Caballero! wij zijn arme reizigers en verkeeren voor het oogenblik juist niet onder zeer gunstige omstandigheden. Zoudt gij niet zoo vriendelijk willen wezen om ons in staat te stellen onze reis voort te zetten? Houd ons ten goede dat wij, om tot dat doel te komen, u met al de aan uwen rang verschuldigde achting doorzoeken.”
Wat staat u te doen? Naast den Capitano staan vier spitsbroeders, allen scherp gewapend, en gij zijt gekneveld. Bij het aangekondigde onderzoek bewijzen de Mexikanen, dat zij in dit handwerk zeer bedreven zijn. Men verooft u van uw horologie en van uw geld tot op een kleinigheid na. Het is usance bij de Kreolen om den reiziger, dien zij zoodanig bezoek brengen, minstens 10 pesos te laten behouden, ten einde hij zijne reis kunne vervolgen. Wanneer de operatie afgeloopen is, steken de heeren hun revolver in den gordel, nemen de hoeden af, maken een beleefde buiging, verontschuldigen zich gewoonlijk nogmaals voor de vrijheid, welke zij zich veroorloofd hebben, en verdwijnen kort daarna in de prachtige bosschen, die u kort te voren in zulk een dichterlijke stemming bragten.
Ik wil het verwijt niet op mij laden, dat ik alle ongelukken op elkander stapel en, ten gevolge daarvan het gebied der onwaarschijnlijkheden betreedt; daarom wil ik eens aannemen, dat gij 1○ een wissel op Mexiko hebt gered, die door de edele Kreolen over het hoofd is gezien; dat gij 2○ te Puebla een ouden bekende aantreft, die u de middelen verstrekt om — nu toch met de onvermijdelijke diligence — naar de hoofdstad te vertrekken, en 3○ dat gij werkelijk die plaats bereikt, zonder verder met gastvrije Mexikanen of lieden, die op hun ambacht reizen, kennis te maken. Ik geloof niet te veel te zeggen, wanneer ik zoodanig voorregt onder de uitzonderingen rangschik.
Nu zijt gij te Mexiko. Een fraaije stad met tooverachtig schoone paleizen, prachtige kerken en keurige straten. Gij begint u met de Mexikanen te verzoenen, want het is u nog onbekend dat al dit schoone door de Azteken, de Spanjaarden en de Kerk gebouwd is. Wat er in de laatste halve eeuw gebouwd werd, is alles even nietig en smakeloos, want kunst en wetenschap moet men daar even als eerlijkheid met den lantaarn van Diogenes zoeken. Nu leert gij spoedig de verschillende standen kennen. Gij vindt er eenige familiën van ouden Spaanschen adel, die men in alle opzigten achting schuldig is, doch haar getal is, helaas, zeer klein; dan komt het gros der Mexikaansche Kreolen, die hun leven doorbrengen met luilappen en dobbelen, en eindelijk het geslacht der Leperos, het Indiaansche volk, dat bijna altijd in de zon ligt te braden en te lui is om zich te wasschen. De eenige menschen, met wie gij kunt verkeeren, zijn lieden die er even vreemd zijn als gij en in Mexiko een leven voeren ongeveer als de vogels hier te lande, altijd beducht dat men hen vangen en hun de veêren uitplukken zal. Wanneer gij echter buiten dien kring komt en b. v. ook eens de speelzalen wilt bezoeken, waarvan men u zooveel verhaalt, dan gaat u eensklaps een licht op, en gij krijgt beter inzigt van de maatschappelijke toestanden in Mexiko, dan dat gij al de boeken, die over dat land geschreven zijn, van A tot Z hadt doorgelezen. Gij vindt namelijk in een der speelzalen den heer, die u op den openbaren weg zoo hoffelijk uw geld heeft afgenomen. Hij is nu gekleed in een zwarten rok, naar den laatsten smaak, heeft onberispelijk fijn en wit linnen aan, en wanneer gij goed toeziet, zult gij spoedig tot de ontdekking komen dat de gouden ketting, welke hij aan zijn horologie draagt, eens op uw vest heeft geprijkt. Denk intusschen niet, dat gij de eenige zijt, die dezen heer nog in een andere hoedanigheid kent. Het gansche gezelschap weet dat de houder van de bank tevens straatroover is, maar men kan dit in Mexiko zeer goed zijn zonder daardoor zijn goeden naam te verliezen. Hij wordt door de aanwezigen veeleer benijd dan veracht. Middelerwijl gij intusschen den man, die u van uw geld heeft beroofd, met verwondering aanstaart, wordt u een zijden foulard ontvreemd en korten tijd daarna is uw portefeuille verdwenen.
Stelen behoort tot de nationale eigenaardigheden der Mexikanen en wordt niemand als een schande toegerekend; het is er even algemeen als in vele Europesche Staten het vloeken of jenever drinken. Wanneer wijlen keizer Maximiliaan eenige voorname Mexikanen aan zijne tafel noodigde, moest hij er altijd op rekenen, dat er minstens een paar dozijn zilveren lepels en vorken mede gemoeid waren, die door zijne gasten werden medegenomen. De meeste generaals en rijksgrooten waren dan ook gewezen rooverkapiteins. Het behoort zelfs tot de historische feiten, dat zoodanige Capitano's minister en president van de groote mexikaansche republiek zijn geworden. Ik wil u met weinige woorden een paar van die mannen beschrijven. Capitano Beaveduria was een flinke knaap, die eenige beschaving en werkelijk ridderlijke manieren bezat. Hij leefde van den grooten weg tusschen Vera-Cruz en Mexiko. Wanneer hij eens gelukkig zijn slag had geslagen, verscheen hij te Mexiko in het gewaad van een Spaanschen Mayo, dat wil zeggen in een prachtig zijden met goud geborduurd gewaad, witte zijden kniekousen en balschoenen van het fijnste maaksel. Zoo zag men hem door de straten der stad wandelen. De gansche wereld wist dat de schitterend uitgedoschte Mayo de rooverkapitein Beaveduria was. Dit verhinderde intusschen niet, dat hij toegang tot de „fijnste gezelschappen” in de hoofdstad, en daarbij zoowel in Europa als in Mexiko den naam had van bij uitstek liberaal te zijn op de wijze, zooals dit met Garibaldi in Italie het geval is. Beaveduria kwam echter niet slechts in de hoofdstad om er te schitteren; hij hield er des avonds bank en bleef dit zoo lang volhouden als hij onnoozelen kon vinden, die zich lieten bedriegen; gelukte hem dit niet meer, dan ging hij weder op den grooten weg op de loer liggen. Beaveduria is eindelijk in een duel gedood. Zijn makker Berriozabel leeft nog. Hij is generaal onder Juarez; hij is het, die de goede stad Matamoros op een zware brandschatting stelde; dat wil zeggen de Europesche bevolking, want deze alleen bezat geld.
De meeste liberale bevelhebbers zijn van hetzelfde kaliber, en het moet niemand verwonderen, als Juarez, wanneer hij nog eens het onderspit mogt delven en niet vogelvrij wordt verklaard, ook zijne fortuin aan den grooten weg gaat zoeken. Volgens de jonge Saussure uit Genève, die vele jaren in Mexiko heeft geleefd, is Santa Anna de grootste schoelje van gansch Mexiko maar daarom ook alleen in staat dat volk te regeren. Die schrijver is van oordeel dat men, om in Mexiko een behoorlijken maatschappelijken toestand te krijgen, zou moeten beginnen met van de acht millioen „edele Kreolen” zeven millioen dood te schieten, in welk geval het welligt een man van energie mogelijk zou zijn van de overigen fatsoenlijke menschen te maken.
En in zulk een maatschappelijken modderpoel moest de ongelukkige Maximiliaan te land komen! Mexiko zal hoe langer hoe dieper in de regeringloosheid en zedeloosheid wegzinken; het rijkste land der wereld zal een wildernis worden, tot eenmaal het demokratische Noord-Amerika het den voet op den nek zet. En het zal zijn verdiend loon hebben. Sedert 1811 heeft Mexiko niet minder dan 127 konstituties gehad; het heeft twee keizers gedood en het bloed bij stroomen doen vloeijen, alleen om van de eene regeringloosheid in de andere te vallen.