Naar inhoud springen

Pagina:De Maasbode vol 018 no 2848.pdf/2

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

worden overhandigd, waarin zal worden aangekondigd dat, als Griekenland niet onverwijld tot ontwapening overgaat, de internationale vloot niet langer rusteloos zal blijven.
Het Londensche blad beweert verder te weten, dat alsdan Delyannis zal antwoorden, dat de regeering, onder protest tegen deze handelwijze, er van afziet om zich langer tegen den wil van Europa te verzetten.
Als gevolg dezer verklaring zal daarna het ministerie zijn ontslag nemen.
In officiëele kringen te Constantinopel gelooft men, dat de vrede niet verder zal worden verstoord. Ook beschouwt men het voor een voldongen feit, dat Rusland onder den eenen of anderen vorm zijne goedkeuring zal schenken aan de Bulgaarsch-Turksche conventie. Deze goedkeuring van Rusland wordt verkregen door de tusschenkomst van Duitschland, die het kabinet van St. Petersburg er op gewezen heeft, dat, als Rusland zijne goedkeuring niet hechtte aan de conventie, het later moeielijk zal zijn, ook de eischen, die Engeland als vergoeding voor zijne bemoeiingen aan de Porte zou willen stellen, af te wijzen.
Zooals men weet, wordt door de Engelsche liberale bladen beweerd, dat lord Salisbury het uitzenden der Engelsche vloot ter bescherming van Turkije tegenover Griekenland afhankelijk heeft gesteld van den afstand van het Turksche eiland Creta aan Engeland.
Dit bericht der Londensche pers heeft de aandacht gaande gemaakt van prins Von Bismarck. Deze heeft den Turkschen gezant bij het Berlijnsche hof Tewfik-Bey bij zich ontboden en hem uiteengezet, dat bij een eventuëelen afstand van Creta aan Engeland, Turkije zich de vijandschap van Rusland op den hals zou halen.
De gezant heeft daarop ten stelligste verzekerd, dat deze berichten van allen grond ontbloot zijn.



BINNENLAND.

STATEN-GENERAAL.
Tweede Kamer.
Zitting van Donderdag 4 Maart.

Ingekomen een wetsontwerp, houdende conversie van de 4 pCt. in 3½ pCt. Nationale Schuld.
De heer Mees brengt rapport uit over de geloofsbrieven van den heer Ruland, nieuwbenoemd lid voor het district Maastricht. Wordt besloten tot toelating. De heer Ruland wordt beëedigd en neemt zitting.

GEVANGENISWEZEN.

De beraadslaging wordt voortgezet over het wetsontwerp tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen.
Art. 8 luidt: „De veroordeelden in de strafgevangenissen en in de huizen van bewaring ontvangen in den regel gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niets anders dan water en brood.”
De heer Van Gennep heeft voorgesteld den aanhef van dit artikel te lezen: „Bij hechtenis van drie dagen of minder ontvangen de veroordeelden, die hun straf in gemeenschap ondergaan, enz.”
De heer A. Mackay heeft voorgesteld het artikel aldus te lezen: „Bij hechtenis van drie dagen of minder ontvangen de veroordeelden gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niet anders dan water en brood.
Hiervan zijn uitgezonderd de veroordeelden:
1o. die daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn;
2o. die, ingevolge art, 25 van het Wetboek van Strafrecht, de hechtenis ondergaan in een gesticht, bestemd tot uitvoering van gevangenisstraf.”
De heer Mackay licht zijn amendement toe.
De heer De Vos van Steenwijk zegt dat de comm. van rapp. zich met het amend. niet kan vertenigen.
De heer Van der Kaaij geeft aan laatstgenoemd amendement de voorkeur boven dat van den heer Van Gennep en het regeeringsartikel.
De heer Van Baar gelooft, dat het stelsel der regeering de voorkeur verdient boven de beide amendementen.
[De heer] [onleesbaar] [billijkheid om ter zake?] van subsidiaire gevangenisstraf wegens politie-overtredingen nog de straf van water en brood te geven en stelt voor deze meestal arme lieden van den gewonen kost te voorzien.
De heer De Vos van Steenwijk bestrijdt nader het amendement Mackay, daar het geneeskundig onderzoek aanleiding zou geven tot ontduikingen.
De heer Van Gennep verdedigt nader zijn amendement.
Den heer Buma doet het leed, dat men zoolang heeft geredetwist over eene straf, die de oude rechtspleging in het geheugen roept, en spr. zou zich schamen zijne stem aan het artikel te geven.
De heer De Savornin Lohman zegt, dat in het bezwaar van den heer Heldt wordt voorzien door art. 22 van het strafwetboek, waarvan men z. i. de werking kan afwachten. Spr. acht dus nog het artikel, noch een der amendementen noodig.
De minister van justitie verdedigt het voorgestelde artikel. Tegen het amend.-v. Gennep heeft de min. een juridisch bezwaar; de rechter zou er door geïnfluenceerd worden; er is ook nog een practisch bezwaar tegen. Spr. acht het amend-Mackay onnoodig, daar het artikel uitzondering op den regel toelaat.
Na repliek van den heer A. Mackay, die in zijn amendement nog een wijziging brengt in dien zin, dat het artikel zal slaan op alle tot hechtenis veroordeelden, — wordt dit amendement verworpen met 30 tegen 28 stemmen.
Het amend. van den heer Gennep wordt verworpen met 40 tegen 9 stemmen.
Het artikel 8 wordt aangenomen met 46 tegen 16 stemmen.
Art. 9. De pistole bestaat alleen in de huizen van bewaring en in éen strafgevangenis.
De heeren Lohman en Van der Kaay hebben voorgesteld de laatste vier woorden te doen vervallen.
De heer Van der Kaay licht het amendement toe.
De heer De Vos van Steenwijk zegt, dat de Comm. v. Rapp. zich met het amend. niet kan vereenigen, omdat men daardoor wil voorkomen het mogelijk misbruik van het recht van gratie.
De minister van justitie vereenigt zich met het aangevoerde door den vorigen spreker.
De heer De Savornin Lohman gelooft, dat aanneming van het artikel, zonder verandering, aanleiding zal kunnen geven tot vele knoeierijen. Na hetgeen in den laatsten tijd hier te lande geschied is, is het een bespotting voor een strafgevangenis om de pistole te behouden. Overigens zou hij in elk geval die gevangenis zeker niet in Den Haag willen, omdat daar vooral allerlei invloeden werkzaam zijn.
De heer De Vos van Steenwijk is het met dit laatste eens, doch de Comm. v. Rapp. heeft de zaak voorgesteld naar aanleiding der rapporten van de collegiën van regenten over verschillende gevangenissen.
De min. van justitie had bedoelde strafgevangenis slechts in den Haag willen hebben, opdat zij onder zijn onmiddellijk toezicht zou kunnen staan.
Het amend. wordt aangenomen met 38 tegen 23 stemmen.
Art. 9 wordt hierop goedgekeurd even als de artt. 10—12.
Art. 13: „Veroordeelden in de huizen van bewaring kunnen tot het verrichten van huisdienst worden verplicht.”
De heer Van Gennep meent, dat men door dit art. in strijd zou komen met art. 20 van het Strafwetboek.
De heer Savornin Lohman ondersteunt hetgeen door den vorigen spreker is gezegd; hij meent ook dat door het regeeringsartikel implicite verandering gebracht wordt in de strafpolitie van het Strafwetboek.
De heer De Beaufort verdedigt het artikel en ziet volstrekt niet in hoe hierdoor inbreuk op art. 20 van het Strafwetboek wordt gemaakt.
De min. van Justitie verklaart, dat het artikel niet in strijd is met het beginsel van art. 20.
De heer Kist is tegen het artikel.
Het artikel wordt verworpen met 36 tegen 27 stemmen.
Art. 14 bepaalt dat het arbeidsloon der gevangenen verdeeld wordt in uitgaanskas en cantinegeld.
De heer De Vos van Steenwijk stelt voor om dit laatste woord te vervangen door zakgeld.
Na een korte discussie hieromtrent wordt het amend. aangenomen met 56 tegen 4 stemmen.
Art. 14, 15, 16 en 17 worden goedgekeurd.
Art. 18 luidt aldus:
Behalve in de gevallen, waarin door Onzen minister van justitie tot afwijking wordt gemachtigd, is het onderwijs in de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen beperkt tot het onderricht in lezen, schrijven en rekenen aan gevangenen of verpleegden, die den leeftijd van 80 jaar nog niet hebben bereikt.”
De commissie van rapporteurs stelt voor het artikel aldus te lezen:
„Onderwijs in lezen, schrijven en rekenen wordt als regel, behoudens persoonlijke uitzonderingen, gegeven aan de tot vrijheidsstraf van meer den drie maanden veroordeelden, die den leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt.
„Voortgezet en vakonderwijs kan naar de behoefte, in verband met den persoonlijken aanleg der gevangenen en verpleegden, worden verstrekt.”
De heer De Beaufort licht dit amend. toe.
Nadat enkele sprekers hierover het woord hebben gevoerd, neemt de minister van justitie het amendement der Comm. van rapp. over.
Door den heer De Ranitz wordt thans als amend. voorgesteld de 1e alinea van het door de regeering van de Comm. van rapp. overgenomen artikel aldus te lezen:
„In de gevangenissen en Rijks-werkinrichtingen wordt onderwijs in lezen, schrijven en rekenen als regel, behoudens persoonlijke uitzonderingen, gegeven aan de tot gevangenis of hechtenis van meer dan drie maanden veroordeelden, die den leeftijd van 40 jaren nog niet hebben bereikt.”
De heer Van der Kaay meent, dat het beter is de woorden „gevangenis of hechtenis” weg te laten, omdat het artikel dan zal slaan op alle gevangenen.
De heer De Ranits vereenigt zich met die wijziging en verandert in dien zin zijn amendement.
De heer De Beaufort zegt, dat de Commissie van rapporteurs zich nu met het amendement vereenigt.
De minister verklaart het over te nemen.
Art. 18 wordt hierop goedgekeurd.
Door de heeren Van Gennep, Vos de Wael, De Beaufort en De Vos van Steenwijk is voorgesteld tusschen de artt. 18 en 19 het volgend artikel te voegen:
„In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt gelegenheid verstrekt om godsdienstonderwijs te geven.”
De minister van justitie neemt het amendement over, waarna het artikel wordt aangenomen.
Art. 19: „Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling namen de gevangenen en verpleegden aan de godsdienstoefeningen, die te hunnen behoeve worden gehouden, deel.”
Door de heer De Vos van Steenwijk is als amendement voorgesteld bij dit artikel de volgende alinea te voegen:
„De vrijstelling wordt steeds verleend, wanneer ze op grond van gemoedsbezwaren gevraagd wordt.”
Dit amendement toelichtende, zegt de voorsteller dat dwang tot uitoefening of bijwoning van godsdienstige plechtigheden met de volkomen vrijheid van godsdienstige belijdenis onvereenigbaar is.
De heer Van Gennep zegt, dat de comm. van rapp. zich niet met het amend. vereenigen kan. Nu wil hij geenszins iemand tegen zijn gemoed in dwingen, doch daarom wordt het ook overgelaten aan de directie van de gevangenis, want het gaat niet aan, de zaak over te laten aan de gevangenen zelf.
De heer Van Wassenaer Catwijck zegt, dat het verplicht aanhooren door de gevangenen van iets, dat hen tot hoogere gedachten kan brengen, zelfs bij den meest verstokte iets ten goede kan uitwerken; spr. heeft daarvan de voorbeelden gezien.
De heer Donner vereenigt zich geheel met het amend. van de heer De Vos. Men moet de menschen niet tot godsdienst dwingen; men moet de vrijheid handhaven ook in de gevangenissen.
De heer Schaepman verklaart zich tegen het amend. Het heeft een gevaarlijke zijde, nl. dat het op grond van een zeer vaag, rekbaar woord een stellig recht toekent aan hem, wien men ook ander recht ontzegt. Wie zal zeggen wat gemoedsbezwaren zijn; wie zal er over uitspraak doen? Zal het zijn de commissie van regenten, de directeur of cipier der gevangenis?
Door aanneming van het amend. geeft men in plaats van vrijheid losbandigheid.
Overigens, als er werkelijk gemoedsbezwaren zijn van heiligen aard, zij zullen zeker geëerbiedigd worden. Als Katholiek kan spr. nimmer tot aanneming van het amend. medewerken. Het bijwonen van de H. Mis is verplichtend; ieder huisvader is daarvoor verantwoordelijk voor zijn huisgenooten, en hier treedt de Staat in de plaats van den huisvader.
De heer De Beaufort komt op andere motieven tot dezelfde conclusie. Z. i. is het amend. niet op zijn plaats in het regeeringsontwerp. Daarbij komt, dat velen gemoedsbezwaren zullen voorwenden, om werkelijk de leeraren te traiteren.
De heer De Savornin Lohman verklaart zich voor het amendement op de gronden van den heer Donner.
De heer Gleichman stelt voor de beraadslagingen te sluiten.
De heer De Vos van Steenwijk zegt, dat man ten eenemale dwaalt, als men meent, dat zijn amend. wordt ingegeven door geringschatting van de godsdienstoefening in de gevangenis; hij blijft er bij, dat het verplicht bijwonen in strijd is met de Grondwet.
De minister van justitie bestrijdt het amend. Hij ontkent ook dat art. 164 der Grondwet hier kan worden ingeroepen, terwijl de redactie van het artikel volkomen de vrijheid waarborgt van hen, die werkelijk gemoedsbezwaren hebben.
Wordt het amend. aangenomen, dan zal men komen tot voorwending van gemoedsbezwaren en de grootste moeielijkheden uitlokken.
De motie van den heer Gleichman, tot sluiting der beraadslagingen, wordt aangenomen met 39 tegai 14 stemmen.
Het amend. van den heer De Vos van Steenwijk wordt verworpen met 27 tegen 26 stemmen.
Het artikel wordt aangenomen met 54 tegen 15 stemmen.
De voortzetting der beraadslagingen wordt bepaald op Vrijdag te 11 uren.


De gisteren ingediende conversiewet is geschoeid op die van 1852. De regeering stelt voor, gedurende zekeren termijn, de houders van 4 pct. schuldbrieven in de gelegenheid te stellen hun 4 pct. tegen 3½ in te ruilen, en vraagt machtiging om, na verstrijken van dien termijn, de 4 pct. af te lossen en daartegenover 3½ uit te geven, tegen minstens 97 percent, terwijl ¼ percent provisie zal worden betaald. Feitelijk zal de nieuwe schuld dus à 96¾ worden uitgegeven.
De nieuwe schuld zal worden uitgegeven onder dezelfde bepalingen als voor de geldleeningen van 1878, 1883 en 1884 gelden. De machtiging tot conversie eindigt op 31 December 1887.
De besparing voor den Staat wordt geschat op 13 ton. De conversie zal niet geschieden in series, maar in eens.

Bij Kon. besluit van 3 Maart is benoemd tot notaris binnen het arrond. Amsterdam, ter standplaats Amsterdam, H. J. Paris, cand.-notaris; — is, met ingang van 15 Maart a. s., benoemd tot kantonrechter-plaatsv. in het kanton Ridderkerk, C. A. Molenaar, burgemeester der gemeente IJsselmonde; — is aan jhr. D. C. Van Lennep, met ingang van 10 Maart e. k., op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als burgemeester van Buurmalsen; — is H. Tussenbroek, met ingang van 1 April a. s., benoemd tot leeraar aan de Rijks-hoogere burgerschool te Alkmaar; — is de heer W. M. Mertens, arts, met ingang van 16 Maart a. s., benoemd tot off. van gez. 2e kl. bij de zeemacht; — zijn, met ingang van 1 April a. s., bij het personeel van den geneeskundigen dienst der landmacht, benoemd tot reserve-officier van gez. 1e kl., da burgergeneeskundigen G. Franken en dr. G. A. Haremaker, beiden eervol ontslagen officieren van gez. 1e kl. van de zeemacht, artsen, respectievelijk te Nieuwer-Amstel en te Beverwijk, zoomede J. Van IJzeren, eervol ontslagen officier van gezondheid 2e kl. van de zeemacht, arts, te Werkendam.
Bij kon. besl. is de zilveren medaille toegekend aan A. Greshoff, te Boma, als blijk van waardeering zijner belangstelling in ’s Rijks wetenschappelijke en kunstverzamelingen, door schenking betoond.
Bij kon. besl. is ben. tot referendaris bij het dep. van finantiën, de hoofdcommies H. G. W. Briedé.
Bij kon. besl. zijn ben. tot ontv. der registratie en domeinen: te Waalwijk A. H. Van Deventer, thans te Zevenaar; te Osch A. Van Drooge, thans te Beesterzwaag; te Beesterzwaag H. Dolk, thans surnumerair te Leeuwarden; te Raalte H. Molenaar, thans surnumerair; te Oorschot G. J. Ten Cate, thans surnumerair; te Sittard E. A. J. C. Charlier, thans surnumerair en te Zevenaar J. Terpstra, thans surnumerair.



De minister van financiën maakt bekend, dat bij hem ontvangen zijn: a. een naamloos adres onder postmerk Nijmegen dd. 22 Februari jl., ten geleide van ƒ 35.50; b. een postwissel van „N. N. pastoor te N. N.”, groot ƒ 11.95, ten postkantore Amsterdam ingeschreven; beiden wegens successierecht ingezonden.



Openbare vergadering van den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur, op Woensdag 10 Maart 1886, des voormiddags te 11 uren.



De Asser Ct. meldt, dat de heer mr. W. Torbecke te ’s Hage bezwaar heeft gemaakt eene canditatuur voor het lidmaatschap der Tweede Kamer te aanvaarden, mocht hem deze worden aangeboden. De heer mr. P. J. G. van Diggelen te Zwolle heeft zich bereid verklaard eene eventuëele canditatuur aan te nemen.



Bij het bestuur der liberale kiesvereeniging te Leeuwarden is een schrijven ontvangen van den heer S. Hingst, inhoudende dat hij, wegens zijn min gunstigen gezondheidstoestand, zich bij de a. s. periodieke verkiezingen niet weder verkiesbaar zal stellen.



Men schrijft ons uit Roermond:
Maandag ll. vierde de Burger-societeit een schoon feest. Deze Societeit had aan Z. D. H. Mgr. Paredis een prachtig portret aangeboden, geschilderd door den alom bekenden schilder Windhausen te Roermond. Mgr. schonk, als blijk van erkentelijkheid, aan de Societeit een keurig album, met portret en handschrift. Dit album werd Maandagavond den leden aangeboden.
Het was een schoone onvergetelijke avond, een feest, zooals alleen in Katholieke kringen gevierd kan worden: bedaard, deftig en toch ongedwongen en prettig. De verschillende muziekstukken werden door het strijkorkest der Burger-societeit keurig uitgevoerd en door allen warm toegejuicht. Solo’s en duo’s werden voorgedragen en eenige luimige voordrachten gehouden. Het glanspunt van het feest was voorzeker de lezing van den Zeereerw. Zeergel. heer Haffmans, die door alle leden met gespannen aandacht werd gevolgd, herhaalde malen luide werd toegejuicht en ook de lachspieren in beweging wist te brengen.
Spreker behandelde de opvoeding in verband met de sociale quaestie. De hoofdkracht van het socialisme is de toenemende ontevredenheid onder de werkende klasse. De hoofdbron dezer ontevredenheid ligt niet in de grootere armoede, den minder gunstigen toestand der werklieden, maar in een onbegrensd toenemen der begeerten, gepaard met het volslagen gebrek aan geweten, karakter en eerbied voor het gezag, voor het recht van anderen en voor zich zelven.
Wat is de oorzaak hiervan?
De jeugd groeit op buiten den invloed van elk zedelijk godsdienstig beginsel. Uitt afkeer tegen den geopenbaarden godsdienst hebben onze wetgevers elk zedelijk-godsdienstig element uit lagere- en hoogere scholen geweerd. Het gevolg daarvan is, dat er van opvoeding geen sprake kan zijn, maar het bloote onderwijs de opvoeding totaal heeft verdrongen. Het hoofd der jongelieden volproppen met wetenschappen, ziedaar waartoe de geheele vorming op de Staatsscholen zich moet bepalen.
Dit werkt verderfelijk op de intellectuëele vorming: het is niet zoozeer de vraag wat een jongen van 16, 17 jaar kent, maar wat hij kan. Hij moet zoo gevormd zijn, dat hij door eigen werken alles kan aanleeren, wat de omstandigheden van hem vorderen.
Maar nog veel erger is het, dat die scholen machteloos zijn om in het hart der jeugd het geweten te vormen en levendig te houden, dat zij den eerbied doen verdwijnen voor alle gezag, dat zij geen mannen kunnen vormen van karakter, mannen, die dikwijls neen kunnen zeggen, maar zelden ja, tenzij tot God.
Dit alles ontwikkelde spreker op krachtige, heldere, onwederlegbare wijze. Bijzonder pittig was het gedeelte der lezing, waarin de geest van critiek werd gegispt, welke bij de jongelui wordt opgewekt. Zij leeren niet meer bewonderen (dat is slechts eigen aan gewone lui) maar slechts critiseeren. Zij hebben nauwelijks eenige pagina’s van Vondel en Bilderdijk gelezen, kunnen hen geenszins volgen en verstaan, en reeds critiseeren ze die groote genieën op een toon van gezag, als ware ze kunstrechters, die dwergen! Zij critiseeren de meesterstukken onzer groote schilders en beeldhouwers, terwijl ze zelven niet in staat zijn een beugelhaan te verven. Ze hebben slechts de critiek geleerd. Dat geeft een schijn van geleerdheid, dat maakt neuswijzen. Zoo gaat de eerbied te loor voor de meerderen, de ouderen, de overheid; zoo zakt een der hoofdpilaren der samenleving in elkaar. Vol van hun eigen ik, wanen zij zich altijd miskend, de ongelukkigen, en zyn daarom altijd ontevreden.
Het zou me te ver voeren nog meer bijzonderheden, mij uit deze heerlijke en degelijke lezing bijgebleven, aan te halen.
Duidelijk had spreker aangetoond, dat alleen de zedelijk-godsdienstige opvoeding de sociale ziekte kan genezen en de maatschappij redden.
Na deze zaakrijke lezing sprak de president der vereeniging, de heer Höppener een woord van dank en bood in naam van Mgr. het album aan. Het oudste lid plaatste het op de daartoe bestemde plaats, en toen werd aan alle leden een portret van Mgr. als aandenken aangeboden.
De rest van den avond werd aangenaam doorgebracht. Het strijkorkest voerde nog eenige stukken uit, duo’s werden gezongen, eenige voordrachten gehouden, en allen keerden voldaan huiswaarts.
Het is troostvol te zien, hoe de kern van Roermonds burgerij haren Bisschop hoogacht en bemint.
Roermond mag trotsch zijn op zijne Burger-societeit. Moge de eendracht tusschen de leden altijd blijven voortbestaan, moge die schoone vereeniging groeien en bloeien! Dat is de wensch van den inzender dezes en van alle ware Roermondenaren.



Men schrijft aan de Tijd uit Breda:
Die N. R. Ct. is toch een ingenieus blad. Van een eenvoudig bakersprookje, dat verleden week door onze gemeente de ronde deed, doch evenals alle praatjes reeds lang vergeten was, maakt zij een histoire brûlante, welke grootendeels onjuist is. Hoe toch is de toedracht der zaak omtrent het by den Zeereerw. heer pastoor der kathedrale kerk „achtergelaten bloedje”, naar welks herkomst volgens de N. R. Ct. een onderzoek wordt ingesteld?
Maandag 22 Februari werd door een Protestansche dienstmaagd uit het stedelijk ziekenhuis een kind tot den H. Doop aangeboden.
Op de vraag van den Weleerw. heer kapelaan naar de namen van peter en meter, wist de dienstbode niet te antwoorden. De geestelijke zei daarop, dat zij die dan eerst moest gaan vragen, doch met het oog op het gure winterweder stelde hij voor, het kindje bij de meid van den koster achter te laten.
Inmiddels werd nog een ander kind de H. Doop toegediend, en eenige oogenblikken later kwam de dienstmaagd met de namen van peter en meter van het bij den koster achtergelaten wicht, dat nu onmiddellijk gedoopt en weder naar de moeder gebracht werd.
De geheele zaak was in een goed half uur afgeloopen. Begrijpe nu wie het kan, hoe men van zulk een eenvoudige zaak een verhaal kan opdisschen, zooals dat te vinden is in de N. R. Ct.
Wèl ging datzelfde gerucht in de afgeloopen week door onze gemeente, maar een ernstig blad heeft toch wel iets anders te doen dan zonder voorafgaand onderzoek een bakersprookje als zuivere waarheid wereldkundig te maken.



Door het vastraken van een groot schip in de spoorwegbrug over het Oosterdok te Amsterdam kon d[e] brug eergisterenmorgen geruimen tijd niet worden gesloten, en was de weg ook onklaar voor den extra-trein, waarmede Z. M. den Koning gisteren van Den Haag over Amsterdam langs Hollandschen en Oosterspoorwegen naar Baarn en Soestdijk vertrok, ten einde de werkzaamheden aan het lustslot te bezichtigen. Over het oponthoud van ruim een half uur, dat de trein ondervond, was Z. M. zeer ontevreden.
Ook de treinen der Rijn- en Oosterspoorwegen ondervonden belangrijke vertraging. Van het Rijnstation aan de Weesperpoort werd zooveel mogelijk in den dienst voorzien.



Men schrijft ons uit Gulpen:
Te Rijmerstok (Gulpen) kan men, alhoewel herhaaldelijk oproepingen zijn gedaan, geen onderwijzer bekomen, ofschoon aan deze betrekking eene jaarwedde is verbonden van ƒ 700 ’s jaars, benevens vrije woning en tuin; de vorige week had zich eén sollicitant aangemeld en was op de voordracht gesteld, doch heeft zich thans wederom teruggetrokken.
Door den districts-schoolopziener is de tusschenkomst van heeren Gedep. Staten ingeroepen.
Niet veel beter is het gesteld met den geneeskundigen dienst te Gulpen en omstreken; vroeger jaren waren alhier altijd 2 praktiseerende geneesheeren, op ’t oogenblik is er geen enkele; tot dusverre werd de geneeskundige praktijk alhier waargenomen door den officier van gezondheid 2e klasse, A. F. Plet, welke wegens gezondheidsredenen eenigen tijd te Valkenburg verblijf heeft gehouden, doch thans in werkelijken dienst is teruggeroepen. De ingezetenen van Gulpen zien ZEd. met leede oogen vertrekken, daar hij door zijne minzame behandeling en ijverige plichtsbetrachting zich de achting een genegenheid van een ieder had verworven.



De heer J. Doorman, hoofdredacteur van het Dagblad, is benoemd tot ridder der orde van Bolivar.



De heer J. B. Nederveen, burgemeester van Maasland, heeft wegens minder gunstigen gezondheidstoestand tegen 1 Mei eervol ontslag aangevraagd.



De nieuwe burgemeester van Vught, de heer A. M. J. T. Van Rijckevorsel, is gisteren aldaar zeer feestelijk ingehaald. Het geheele dorp was versierd, en toen de burgemeester aan de grens der gemeente was aangekomen, werd hij in optocht naar het gemeentehuis gebracht. De optocht bestond uit 27 afdeelingen en bevatte o. a. onderscheidene praalwagens. Gisterenavond was de gemeente geïllumineerd en had een muziekuitvoering plaats.
Ongelukkig viel bij dit feest een treurig ongeval voor. Zekere timmerman, Sidler, onderzocht zijn pistool, waarmede hij bij den intocht wilde schieten. Daar het wat verroest was, ging het niet af. Nu plaatste hij het met den loop tegen de borst, om de roest af te krabben, doch op eens ging het wapen af, en de kogel ging den ongelukkige door de borst. Hij was niet dood doch verkeerde in zeer bedenkelijken toestand.



Eergisterenavond te 11 uren heeft op het terrein voor de cavalerie-kazerne te Haarlem een huzaar een kameraad met eene revolver doodgeschoten, en daarna zich zelven met dat wapen van het leven beroofd. De aanleiding van deze treurige daad ligt nog in het onzekere.



Te Neerbosch heeft nabij de weesinrichting het volgend ongeval plaats gehad. Een der weesjongens van zijn werk komende om zich naar de inrichting te begeven, liep met zijne borst tegen een der boomen van eene handkar aan, die kwam aanrijden en die hij niet had opgemerkt. Hij werd daardoor inwendig zoo ernstig gekwetst, dat hij onder de hevigste pijnen is bezweken.



In een vorig nummer werd gemeld, dat men in het Instituut St. Louis te Oudenbosch het 40jarig bestaan daarvan had herdacht. Dat moest zijn het 46jarig bestaan. Wat het nieuwe gebouw betreft, waarvan wij bij die gelegenheid spraken, hieronder moet verstaan worden, naar men ons schrijft, een gewoon ziekenhuis, onmisbaar voor elke groote inrichting, dus een verbetering van de bestaande ziekenkamers.



Voor het huis van den koffiehuishouder P. in de Nieuwstraat te Scheveningen had gisterennamiddag een treurig ongeval plaats. Een man, die van het balcon van het koffiehuis het een of ander voorwerp moest halen, en een kruiwagen op de straat had geplaatst, boog zich, toen hij zich wilde vergewissen of zijn kruiwagen er nog stond, te ver over de balustrade en verloor zijn evenwicht. Meer dood dan levend werd de ongelukkige in het koffiehuis binnengebracht.



In de gisterenavond gehouden vergadering van den Kralingschen gemeenteraad werd besloten om het voorstel van B. en W. tot het maken van een aanbouw bij het raadhuis, aantehouden tot eene volgende vergadering, omdat door den heer Van Vessel nadere plannen waren ingediend tot stichting van een nieuw gebouw op het terrein van het thans bestaande.
De raad stelde de percentage voor de plaatselijke directe belasting vast op 3½ pCt.
Op advies van het onderwijzend personeel der school aan de Dijkstraat, inhoudende om toekenning van gratificatiën, wegens de veelvuldig aan die school voorkomende vacaturen, hadden B. en W. geadviseerd afwijzend te beschikken. In strijd met dit praedvies werd in beginsel besloten tot het toekennen van gratificatiën en B. en W. uit te noodigen een nader voorstel in dien zin bij den Raad in te dienen.



Als eene curiositeit deelt men aan de N. R. Ct. mede, dat gisteren te Maastricht een huwelijk voltrokken is tusschen den heer De Winter en mejuffrouw Zomer. De notaris, die het huwelijkscontract had opgesteld, heette Herfst.
Waarschijnlijk is het ook slechts toeval, dat dit huwelijk gesloten werd in de Lentemaand.



Gisteren namiddag ongeveer 4½ uren is aan de Scheepmakershaven nabij de Groote Draaisteeg een werkman van p. m. 60 jarigen leeftijd, door het misstappen in een boot, te water geraakt, doch onmiddellijk met een roeiboot gered en op het droge gebracht. — De persoon, die ll. Woensdagavond op de Kruiskade plotseling is overleden en wiens lijk naar het lijkenhuis onder Crooswijk is overgebracht, is gebleken genaamd te zijn Hendrikus Wagenberg oud 37 jaar, geboortig uit Oosterhout, bakkersknecht, sedert drie jaar te huis in een logement alhier. Door de politie wordt een onderzoek naar zijne familie ingesteld.



Necrologie.

8 Maart overleed de heer mr. L. Roelvink, burgemeester van Aaltan en lid der Provinciale Staten van Gelderland.