| De Nieuwe Courant | ||
PRIJS VAN HET ABONNEMENT Door geheel Nederland per kwartaal ƒ 2.50 De Nieuwe Courant verschijnt dagelijks ’s avonds en morgens, behalve op Zondagavond en Maandagochtend. |
DAGBLAD VOOR NEDERLAND.
Hoofdredacteur: Mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND. Bureaux der Redactie en Administratie: LUTHERSCHE BURGWAL 23. |
PRIJS DER ADVERTENTIEN. Van 1—5 regels ƒ1.30 met inbegrip van bewijsnummer |
Dit Nummer bestaat uit ACHT bladzijden.
AVONDVLAD.
Bericht.
Wegens het Paaschfeest zal ons blad MAANDAGAVOND a.s. niet verschijnen.
Motorrijtuigen op openbare wegen.
In onze hoofdartikelen van 21 en 22 Augustus j.l. bespraken wij uitvoerig het wetsontwerp, houdende bepalingen omtrent het berijden van wegen met motorrijtuigen, dat bij Koninklijke Boodschap van 26 Februari 1903 bij de Tweede Kamer is ingediend. Op het bijna vernietigende oordeel van het Voorloopig Verslag is thans (1 Maart j.l.) een Memorie van Antwoord ingezonden, welke van een gewijzigd ontwerp van wet vergezeld gaat.
Feitelijk hebben wij hier niet te doen met een wijziging, doch met een geheel nieuw voorstel. Terecht besloot dan ook de Kamer, op voorstel der Commissie van Rapporteurs, tot een nieuw onderzoek in de afdeelingen. Reeds het uiterlijk, de vorm van het voorstel, dat 27 artikels, d. i. tien meer dan het oude, bevat, is a een argument voor de opvatting dat hier meer dan een herziening wordt aangeboden. Maar verrassend is de kennismaking met den inhoud van het jongste voorstel.
Wie herinnert zich niet de verbazing van den Parijzenaar uit Laboulaye’s geestigen politieken roman Paris en Amérique, die, na zijn geheele leven doorgebracht te hebben avec autorisation préalable de l’autorité, na altijd becontroleerd en beadministreerd te zijn, door een zonderlinge speling van het noodlot plotseling in Amerika ontwaakt en daar kennis maakt met het Angelsaksische rechtssysteem, dat ieder burger vrij laat om te doen wat hij wil, behoudens diens verantwoordelijkheid tegenover den rechter? Wij durven niet denken, dat, na afloop eener spiritistische séance, minister De Marez Oyens als wijlen de geestige docteur Lefèvre in één nacht naar den overkant van den Atlantischen Oceaan gebracht is. Bewindslieden van het tegenwoordige régime hebben met spiritisme niet bijster veel op. Eerder zouden wij vermoeden, dat het Voorloopig Verslag — wellicht afbrekende critiek van elders op zijn eerste ontwerp — der Excellentie een gewone Hollandsche nachtmerrie bezorgd heeft.
Hoe ’t zij, er is iets gebeurd met het departement van Waterstaat. Het is, in een korte spanne tijds, van den Polizeistaat in den Rechtsstaat overgeplaatst. Dat wij de stille kracht die dit wonder verrichtte niet genoeg kunnen prijzen, eischt geen betoog.
Het rijden met automobielen zou — volgens het eerste ontwerp — verboden zijn. Tenzij men een vergunning had van den Minister. Een recht, krachtens hetwelk de burger, zoo noodig, die vergunning kon afdwingen, werd niet verleend. De vergunning zou alleen tot wederopzegging verleend worden, en kon te allen tijde worden ingetrokken.
En thans? Het geheele stelsel van voorafgaande vergunningen, in den grond geen ander dan dat van staatsvoogdij, is prijsgegeven. Ieder Nederlander die zulks begeert, zal in een automobiel mogen rijden. Hij zal daarvoor slechts aan de volgende, in de wet omschreven voorwaarden, hebben te voldoen: hij zal een nummer met letter op zijn rijtuig moeten voeren waarvan afmeting en kleur door den Minister zullen worden bepaald en voorzien moeten zijn van een bewijs dat dit nummer hem door de administratie is opgegeven; verder zal hij een rijbewijs moeten hebben van den Commissaris der Koningin. Dit laatste mag en moet alleen geweigerd worden aan personen beneden de zestien jaar: een wettelijke leeftijdsgrens voor de geschiktheid om een automobiel te besturen die o. i. alleszins toejuiching verdient. Overigens dient het rijbewijs niet als preventieve maatregel, maar uitsluitend als onmisbaar middel van contrôle. Aan iederen aanvrager wordt het uitgereikt; zelfs van een voorafgaand onderzoek van overheidswege naar de vaardigheid en geschiktheid des bestuurders is afgezien. Een dergelijke staatskeuring, hoe scherp ook, heeft als preventieve werking tegen ongevallen bijzonder weinig waarde. „De oorzaak van ongevallen” — aldus thans de Minister — „is niet mindere bekwaamheid, maar òf zorgeloosheid en roekeloosheid, òf ongelukkig toeval. Tegen zorgeloosheid of roekeloosheid nu schiet preventieve bemoeiing te kort. Krachtige repressie zal daartegen uitkomst moeten geven.”
Die repressiemiddelen zijn natuurlijk geldboete en hechtenis, en in de laatste maar voornaamste plaats intrekking van het rijbewijs. Die intrekking zal echter — en ziehier een cardinaal verschilpunt met het eerste ontwerp — niet aan het goedvinden van een of andere administratieve autoriteit overgelaten zijn, maar uitsluitend kunnen geschieden op last van den onafhankelijken rechter. Men herinnert zich hoe juist de mogelijkheid van ambtelijke willekeur, hoe de onbeperkte bevoegdheid van het „uitvoerend gezag” om vergunningen in te trekken, als met de elementaire eischen van den Rechtsstaat lijnrecht in strijd, een onzer ernstigste grieven was tegen het eerste ontwerp. Daarbij is, zoowel aan de wenschelijkheid om den rechter in de straftoemeting de noodige vrijheid te gunnen, als aan de noodzakelijkheid, dat de wetgever een limiet stelle, op hoogst gelukkige wijze voldaan. Eenerzijds toch kan de intrekking van het rijbewijs niet langer geschieden dan voor den tijd van éen jaar; aan den anderen kant is niet het Engelsche systeem gevolgd, dat alleen ingeval van recidive de intrekking mag worden uitgesproken.
Het rijden zonder nummer of rijbewijs is strafbaar met hechtenis of geldboete (maximum 30 dagen of 150 gulden). Dezelfde straffen, en bovendien ontzegging van de bevoegdheid om een motorrijtuig te besturen voor ten hoogste éen jaar, kunnen worden uitgesproken: 1o. wegens het rijden over een weg die voor het verkeer gesloten is (waarover nader); 2o. wegens het houden van of deelnemen aan een snelheidswedstrijd met motorrijtuigen (waarbij vooral de bepaling dat ook de eigenaar of houder van het rijtuig als deelnemer moet worden aangemerkt tegen het dolzinnige gevlieg langs de wegen een behoorlijken waarborg zal opleveren) en 3o. wanneer de bestuurder van een motorrijtuig rijdt op zoodanige wijze dat de vrijheid of veiligheid van den weg wordt belemmerd of in gevaar gebracht of, onder alle omstandigheden, met een grootere snelheid dan 40 K.M. per uur. Wat deze laatste bepaling betreft, ongetwijfeld is zij zeer rekbaar; wij hebben daartegen echter weinig bezwaar nu de rechter tot oordeelen wordt geroepen; te minder wijl zij het mogelijk maakt de maximum-snelheid, die onder alle omstandigheden verboden zal zijn, zeer hoog te stellen.
Thans de verdere verschilpunten met het eerste ontwerp. Reeds wijzen titel en considerans op een geheel anderen gedachtengang. Eerst was het doel bepalingen te geven omtrent het berijden van wegen met motorrijtuigen; thans strekt het ontwerp ter bevordering van de vrijheid en veiligheid der wegen in verband met het gebruik van motorrijtuigen. Dat wil zeggen, het in het Voorloopig Verslag tot den Minister gerichte, zeer verdiende, verwijt, als zou hij motorrijtuigen beschouwen als luxe-voorwerpen die, ten genoege van enkele sportliefhebbers, veel last veroorzaken aan hen die wegen hebben te onderhouden en aan het publiek, vervalt thans. Aan het moderne vervoermiddel zal thans de plaats, die het in het verkeer toekomt, worden ingeruimd. Bij maatregel van bestuur (de Gedeputeerde Staten der provinciën gehoord) zullen voorschriften worden gegeven omtrent 1o. remtoestel en geluidsignaal van motorrijtuigen, 2o. het voeren van lichten aan motorrijtuigen en andere rij- en voertuigen, 3o. het uitwijken door en voor motorrijtuigen, 4o. het doen stilhouden van motorrijtuigen en het in rust brengen van den motor, 5o. het doen trekken door motorrijtuigen van andere rij- en voertuigen. Vooral de gecursiveerde woorden sub 2o. en 3o. verdienen de aandacht, hiermede wordt immers aan den in het Voorloopig Verslag, en ook door ons, geuiten wensch tegemoet gekomen dat niet alleen het gewone verkeer tegen motorrijtuigen, maar ook motorrijtuigen tegen het gewone verkeer behooren te worden beschermd. Wat de delegatie van wetgevende bevoegdheid betreft, hiertegen kunnen wij al te groote bezwaren niet maken; vooreerst betreft het hier in hoofdzaak voorschriften van technischen aard welke, gegeven de snelheid der veranderingen in de techniek, moeilijk in een wet kunnen worden vastgelegd; dan geschiedt de regeling niet bij ministerieele beslissing, maar bij koninklijk besluit, de Raad van State gehoord; eindelijk zijn de onderwerpen waaromtrent voorschriften gegeven mogen worden, limitatief in de wet omschreven.
Voorts zullen bepaalde wegen voor het verkeer met automobielen gesloten kunnen worden verklaard. Dit zal alleen kunnen geschieden in het belang van de vrijheid en veiligheid van het verkeer, dus als maatregel van politie op den weg. Want — ziedaar alweer een hoogst belangrijke verbetering — de politie van den weg (regeling van al wat voor de instandhouding en bruikbaarheid der wegen noodig is) wordt thans ter zijde gelaten: op dit stuk geven de bestaande bepalingen aan besturen van provinciën, gemeenten en waterschappen voldoende bevoegdheid.
Sluiting voor het verkeer kan geschieden: van rijkswegen door den Minister, van andere wegen (die binnen bebouwde kommen van gemeenten andere dan provinciale wegen, uitgezonderd) door Gedeputeerde Staten, de betrokken gemeentebesturen gehoord.
Van deze beschikkingen van Gedeputeerde Staten kunnen alle belanghebbenden, binnen dertig dagen na de afkondiging, bij de Koningin in beroep komen. (Hierop wordt, overeenkomstig art. 23 der Wet van 21 December 1861 (Stbl. no. 129) de afdeeling „Geschillen van bestuur” van den Raad van State gehoord. Och, dat wij een administratieve rechtspraak hadden.) Waarschuwingsborden, volgens een door den Minister vast te stellen model, zullen den chauffeur het „tot hier en niet verder” moeten toeroepen. Wij missen — deze kleine maar practische opmerking zij ons vergund — de bepaling dat, indien een waarschuwingsbord mocht ontbreken, de strafbaarheid van het berijden van den weg zal vervallen.
Intusschen, deze sluiting voor het verkeer is alleen mogelijk voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen. Aan de ongerijmdheid dat de zware motorcars en de betrekkelijk lichte, weinig ruimte innemende motorrijwielen aan dezelfde strenge bepalingen onderworpen moeten zijn, wordt dus een einde gemaakt. Alweer een verbetering die moeilijk genoeg kan worden geprezen.
Ten slotte: onze grieven tegen het eerste ontwerp waren van tweeërlei aard. Vooreerst dat de individueele rechten der burgers op losse schroeven werden gesteld; dat aan den eisch van rechtszekerheid niet werd voldaan. Maar ook aan dit laatste bezwaar is thans tegemoet gekomen. Aan de lagere (provinciale en gemeentelijke) besturen is thans slechts in aanvullenden zin een politierecht op den weg toegekend. Zij zullen verordeningen mogen vaststellen ter bevordering van de vrijheid en veiligheid der wegen in verband met het gebruik van motorrijtuigen, voor zooveel betreft punten waaromtrent in de wet of den algemeenen maatregel van bestuur niet is voorzien, en mits natuurlijk niet met wet of K. B. in strijd. Zelfs zullen gemeentewegen of particuliere wegen binnen de bebouwde kommen bij gemeentelijke verordening voor alle motorrijtuigen gesloten kunnen worden verklaard, mits het doorgaand verkeer openblijve, van het verbod ontheffing kan worden verleend (men denke b.v. aan geneesheeren, of aan bewoners van bepaalde straten), en waarschuwingsborden worden geplaatst.
Dat het regelen van de privaatrechtelijke aansprakelijkheid voor het veroorzaken van ongevallen door motorrijtuigen — liefst onafhankelijk van de schuldvraag — achterwege is gebleven, blijven wij betreuren. Wij kunnen niet toegeven dat een dergelijke regeling „kwalijk zoude passen in het kader van dit ontwerp”, nog minder dat „zij niet zou kunnen bijdragen tot een gezonde ontwikkeling van het verkeer”; wèl, dat zij uiterst moeilijk is en althans de krachten van het departement van Waterstaat te boven gaat. En toch. erkenning van het eerlijke, Germaansche rechtsbeginsel dat al wie van een (verkeers)-object de lusten heeft, ook de lasten en het risico daarvan behoort te dragen, is meer en meer gewenscht. Geheel nieuw is het stellig niet: zoowel ons oude zeerecht als artikel 28 der moderne Stoomwet (1896) geven een voorbeeld.
Overigens kunnen wij niet luide genoeg onze instemming met dit ontwerp betuigen. Het Engelsche, zuiver repressieve, systeem, het eenige dat een vrij volk waardig is, is gehuldigd; en op zeer gelukkige wijze is het aan onze administratieve inrichting aangepast. Gegeven ons gemis van administratieve rechtspraak, beantwoordt dit ontwerp aan de idee van den Rechtsstaat zooveel als mogelijk is. En orde, èn vrijheid komen er gelijkelijk door tot haar recht. Ademde het vorige ontwerp, gelijk wij schreven, een geest van tory-radicalisme, dit is liberaal in den ruimsten zin des woords.
BINNENLAND.
Imbeciel.
Er is bepaald een komplot aan het groeien.
Niet slechts bij wijze van spreken, maar een echt politiek komplot, met een „mot d’ordre” van een bepaalde autoriteit, waaraan alle groepen van de linkerzijde zich onderwerpen.
Het stond gisteren wéér in De Standaard. Wel zal het nooit voor bewijs vatbaar zijn — schrijft het blad — dat de Loge erachter zit, maar het vermoeden is toch sterk genoeg.
Nu las men zoowaar weer in De Nieuwe Courant, dat het de voorkeur zou verdienen als de Eerste Kamer de behandeling van het onderwijs-ontwerp tot na de Staten-verkiezingen uitstelde. „Men lette nu scherp op, of het hierbij blijft, of dat dit vuurtje doorloopt.” Loopt het door, dan is het bewezen dat er een komplot is.
Boven dezen onzin schrijft De Standaard: ’t Begint uit te komen. En dat opschrift is juist. Inderdaad, het begint uit te komen, dat hier een politiek lasterpraatje, waaraan geen ernstig man een oogenblik van aandacht wijden zou, van dag tot dag wordt aangedikt en rondgewenteld tot het straks voor het oog van den kleinen man een electorale reuzensneeuwbal zal zijn.
Reeds nu durft De Stand. schrijven: „nergens lazen we van liberale zijde het protest, dat zulk dwaas gerucht (n.l. van het geheimzinnige plan de campagne) zichzelf weersprak”.
’t Is mogelijk, dat zulk protest in optima forma nog uitbleef; maar dan bewijst dit toch alleen, dat van liberale zijde het publiek, ’t welk t in de openbare zaak belangstelt, niet voor zoo imbeciel gehouden wordt dat het aan dergelijke dwaasheden geloof zou schenken.
Waarschuwing.
Blijkens mededeeling van den Russischen gezant heeft de commandant van de Russische vloot in den Stillen Oceaan een waarschuwing uitgevaardigd, houdende dat oorlogsschepen of handelsschepen van onzijdige mogendheden die in de wateren, welke het tooneel van den oorlog zijn, worden aangetroffen, hetzij des nachts varende zonder lichten, hetzij overdag varende zonder vlag en die niet op de eerste waarschuwing, door een kanonschot gegeven, de vlag hijschen, door de Russische vloot zullen worden beschouwd als vijandelijke schepen en in den grond zullen worden geboord. (St.-Ct.)
Tarief van invoerrechten.
Op initiatief van de Rotterdamsche Kapperspatroonsvereeniging is besloten een door kapperspatroons onderteekend adres aan den minister van Financiën te zenden, waarin zij te kennen geven:
Dat zij tot hun leedwezen kennis hebben genomen van het voorstel inzake verhooging van invoerrechten op de artikelen van luxe, vooral wat betreft de parfumerieën.
Dat zij nu reeds moeilijk kunnen concurreeren met het buitenland, door de hooge rechten die vooral op de alcoholhoudende parfumerieën worden geheven.
Dat zij bij een eventueele verhooging zeer zullen worden benadeeld, omdat het verbruik zal verminderen, hetgeen toch reeds in ons land door de hooge prijzen, veroorzaakt door de hooge rechten, veel minder is dan in België of Frankrijk.
Reden waarom adressanten eerbiediglijk verzoeken het voorstel in zooverre te wijzigen dat de alcoholhoudende artikelen van deze verhooging worden vrijgesteld en de verhooging op de overige parfumerie-artikelen tot een minimum worden teruggebracht.
In een toelichtend woord wordt nog gezegd:
Daar het artikel „parfumerieën” zooals Z.Ex. dit voorstelt, met f 100[1]) op de 100 kilo zou worden belast en dit artikel een is, dat in de branche van den kapper een eerste plaats inneemt, zoo vermeende bovengenoemde vereeniging dat een poging moest aangewend worden om tariefsvermindering te verkrijgen op grond dat de handel in dit artikel, dat toch al in ons land in vergelijking met andere landen veel minder verbruikers heeft en als zoodanig onder den kleinhandel behoort, de neringdoenden zeer zal schaden, daar het artikel voornamelijk buitenlandsch fabrikaat is, en niet vervangen kan worden door inlandsch product, daar de consement vraagt Pinaud, Piver, Piassard, Roger en Gallet en voor de Eau-de-Cologne N. 4711, N. 7, Gegenuber dem Juliehs Platz en andere, genoeg om aan te toonen dat zij steeds genoodzaakt zijn met het buitenland te werken.
- ↑ Geparf. zeep slechts met f 15 per 100 kilo. Red.
Bij beschikking van den minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid zijn benoemd: G. H. P. Metz, tot buitengewoon opzichter bij de werken wegens het bouwen van een woning voor den adjunct-commissaris der loodsen aan de Verlengde Kanaalstraat te IJmuiden en van 2 woningblokken ten dienste van het loodspersoneel aldaar; J. Kraanen te Tilburg, tot buitengewoon opzichter bij de uitvoering van baggerwerk tot voortzetting der verbetering van de Maas, riviervak St.-Andries-Diezemond, en L. F. Botter, te ’s-Hertogenbosch, tot buitengewoon opzichter bij de uitvoering van baggerwerk in de Maas, riviervak Diezemond—Woudrichem.
PLAATSELIJK NIEUWS.
Uit de Residentie.
Het vertrek van H. M. de Koningin en Z. K. H. den Prins naar Italië is thans nader vastgesteld op Maandagavond per specialen Staatsspoortrein van 8 uur 28 stadstijd.
H. M. de Koningin en Z. K. H. de Prins der Nederlanden zullen op Hun reis naar Italië vergezeld worden door jonkvrouwe Burmania baronesse Rengers, hofdame van H. M. de Koningin, mr. W. graaf van Bylandt, kamerheer van H. M. de Koningin, referendaris bij het kabinet der Koningin, den majoor graaf Schimmelpenninck, adjudant van H. M. de Koningin, den luitenant ter zee 1e klasse jhr. Hooft Graafland, adjudant van Z. K. H. den Prins der Nederlanden en den hoogleeraar dr. Krämer, directeur van het Koninklijk Huisarchief.
Wij vernemen, dat beide Koninginnen en Prins Hendrik elk een belangrijke bijdrage hebben geschonken ten behoeve van het fonds tot restauratie van de Luthersche kerk alhier.
Voor de verloting voor hetzelfde doel ontving de commissie door bemiddeling van den heer Kerling nog een drietal fraaie schilderijen ten geschenke van Wilm Steelink, Hobbe Smith en Bosch. Loten zijn nog steeds te verkrijgen à 35 ct. per stuk bij de dames-leden van het comité, en bij den koster der Luthersche kerk.
Het bulletin omtrent den toestand van den burgemeester luidde hedenochtend:
„Nacht onrustig. Toestand dezelfde.”
Het Organisatie- en regelingscomité van het Nat. Bureau van Vrouwenarbeid verzoekt ons plaatsing van de volgende opwekking, die en wij gaarne ondersteunen:
„Nu het Congres voor Kinderbescherming (6—9 April), opening 6 April te halftwee zoo dicht ophanden is, maken wij gaarne van de gastvrijheid der bladen gebruik om een bijzondere opwekking aan werkgevers en werkgeefsters te richten in ’t belang van de personen bij hen in dienstbetrekking, die gaarne een of meer zittingen van dat Congres zouden willen bijwonen.
De Congres-commissie wenscht het dezulken van haar kant gemakkelijk te maken door het beschikbaar stellen van een 50-tal dagkaarten à 10 ct. voor elken dag afzonderlijk, aan het gebouw De Vereeniging, Willemstraat, verkrijgbaar, een werkelijk waagstuk met het oog op het zeer groot aantal leden van het Congres, dat zooals bekend het uniform tarief van f 1 per persoon of vereeniging stelde.
Ook is het mogelijk, dat vele van de hier bedoelde door een vak- of andere vereeniging zijn afgevaardigd.
Intusschen dit baat hun niet, wanneer ook niet tevens door welwillende patroons, huisvrouwen enz. het verlof van enkele uren te verzuimen wordt gegeven. Voor zoover dit niet reeds geschiedde, neemt het Comité de vrijheid, werkgevers en werkgeefsters vriendelijk en dringend op te wekken in dit opzicht een bewijs hunner medewerking te willen geven.”
Van 1 April af is een omnibusdienst tot stand gekomen tusschen de twee spoorwegstations in de Residentie.
De omnibusjes rijden van het Hollandsche spoorstation naar de Laan van Nieuw-Oost-Indië on terug.
In het Loge-gebouw Ned. Protestantenbond alhier treedt morgen des ochtends te 10½ uur op prof. dr. H. Y. Groenewegen, van Leiden; in de Nieuwe kerk te Scheveningen, des ochtends te 10 uur: dr. E. J. W.Posthumus Meyjes, van ’s-Gravenhage; des avonds te 6 uur: dr. J. N. Köhler, van Loosduinen.
In de Regentesse kerk alhier treedt Maandag des ochtends te 10 uur op: ds. C. J. van Paassen, van Haarlem; — in de Waalsche kerk, des ochtends te 10 uur: de heer Rocheblave, van Delft; — in de Duitsch Evangelische kerk, des ochtends te 10 uur: de heer Freymark, van Rotterdam; — in het Loge-gebouw, des ochtends te 10½ uur: ds. S. de Waard, van Utrecht.
In de Remonstrantsche en Doopsgezinde kerken alhier is Maandag geen dienst.
Diakenen der Ned. herv. gemeente alhier berichten met dank, dat de Paaschcollecte heeft opgebracht f 2119,225.
In de afgeloopen week werden door keurmeesters afgekeurd 7 partijen tuberculeus rundvleesch; een geslacht schaap, van elders ingevoerd; een onvoldragen kalf; een geit; een veulen; voorts 4 partijen rund-, 2 partijen varkens-, 2 partijen schapenvleesch en eenige runderlevers en kleine hoeveelheden vleesch.
De handelsreizigersvereeniging Eendracht, afdeeling Den Haag, zal een openbare vergadering voor handels- en kantoorbedienden, handelsreizigers, magazijn- en winkelbedienden houden op Maandag 4 April (2en Paaschdag), ’s voormiddags te halfelf, in den foyer van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen alhier, ter bespreking van het ingediende wetsontwerp tot regeling van het arbeids-contract. Sprekers de heeren: mr. Joh. J. Belinfante, Den Haag, en P. Joh. Kreupeling, Amsterdam. De toegang is vrij.
Hoogtwater te Scheveningen:
Zondag 8 April, ’s voormiddags 4 uur 9, ’s namiddags 4 uur 30.
Maandag 4 April, ’s voormiddags 4 uur 50, ’s namiddags 5 uur 10.
Gevonden goederen. Aanwezig aan het hoofdcommissariaat van politie, Alexanderplein 15b, en aldaar te bevragen op alle werkdagen tusschen 12½ en 2 uur, de navolgende voorwerpen: sleutels, eenige rozekransen, een portefeuille, een visiteboekje, een reticule, een brief.
Aanwezig en te bevragen bij de navolgende ingezetenen: een nieuwe vrouwenschoen, Van Maastricht, Honsholredijkstraat 186; een groene fluweelen reticule, Nordanus, Westeinde 467 (Enthof); 2 gouden kinderoorbelletjes, Peereboom, Hoefkade 602; een portem. met geld, Lemmans, Hoefkade 350; een bruin lederen portem. met geld, Spaan, Van Leeuwenhoekstraat 25; een gebrand dameshorloge, Van Diemen, Frederikstraat 18; een gouden heerenring met steen, Van Delft, Jan Steenstraat 54; een portefeuille waarin loterijbriefje en papieren, Zwartjes, Jacob Catsstraat 137; een huissleutel, School, Rubensstraat 192; een huissleutel, Popp, Hobbemastraat 155; een zwart hondje met halsband, Wagner, Van Goghstraat 10; een stootblok van een sleeperswagen, Hesmeijer, Vaillantlaan 156; een gedeelte uit een spaarbankboekje, met zegels, De Jong, Katwijkstraat 18; een fox-terrier, Meijer, Jan van Nassaustraat 83; een fannyhond, Wareman, Jacob Catsstraat 14; een gouden schakelarmband, Vertin, Kazernestraat 66; een jonge bruine hond met nikkelen halsband, Ledeboer, v. d. Spiegelstraat 12; een Berl. zilv. lepeltje, Bur. O. R., Prinsegracht; een jonge schoen, Minderman, Prins Hendrikstraat 157; een hondje (wit met bruin) teef, freule Elout van Soeterwoude, Bezuidenhout 61.
WETENSCHAPPEN.
Prof. dr. jhr. B. H. C. K. v. d. Wyck.
In Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen (Haarlem, H. D. Tjeenk Williak en Zn.) heeft een merkwaardige studie het licht gezien van dr. P. H. Ritter over prof. Van der Wyck, hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de universiteit te Utrecht. Merkwaardig noemen wij die bijdrage, omdat met deze levensbeschrijving tegelijk gegeven wordt een beeld van den ontwikkelingsgang der wijsgeerige studie in ons vaderland in het laatste gedeelte der 19e eeuw en tevens een bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche beschaving in dat tijdperk. Merkwaardig ook, omdat een man als Ritter deze bijdrage schreef, die, zelf verdienstelijk leerling van de Utrechtsche Alma mater, niet slechts met Van der Wyck in nauwe betrekking heeft gestaan, maar ook met Opzoomer, Muurling, Scholten, Kuenen, Tiele, Allard Pierson, Land, Spruyt, Donders. Vooral Oozoomer wordt in deze studie van Ritter ge[rek?]end als Van der Wyck’s leermeester, wiens arbeid door dezen werd voortgezet, toen hij in 1870 geroepen werd den grooten denker van de ervaringsfilosofie aan Utrecht’s hoogeschool op te volgen.
Eerst vertelt de schrijver ’t een en ander van het geslacht Van der Wyck, hoog opklimmende tot ’t begin der 13e eeuw, waarin meer magistraten en krijgslieden voorkwamen dan heden, die zich met wijsbegeerte of daaraan verwante vraagstukken hebben bijzig gehouden.
Kennelijk — zegt zijn levensbeschrijver — is Van der Wyck zijn wijsgeerige ader verschuldigd aan zijn moeder, Henriette Van Hemert, kleindochter van Paulus van Hemert, den eerwaarden Kantiaan, die van 1790 tot 1796 te Amsterdam hoogleeraar was aan het seminarium der Remonstranten.
Den 30en Maart 1836 werd Bernard van der Wyck te Gorinchem geboren. Hij doorliep te Heusden, waar het gezin vervolgens woonde, de Fransche school van den heer Seret; daarna de Latijnsche van ds. Pape aldaar; bezocht toen de kostschool van den heer Gerth van Wijk te Wijk-bij-Duurstede en eindelijk het gymnasium te Utrecht. In 1855 werd hij als student aan de Utrechtsche hoogeschool ingeschreven.
Hier krijgt de lezer al dadelijk van dr. Ritter een beeld van het wetenschappelijk leven in die dagen aan de Utrechtsche hoogeschool. De schrijver haalt Van Loenen Martinet daarvoor aan, waar deze in zijn levensbericht van dr. M. A. N. Rovers zegt:
„Van nieuwe uitzichten of inzichten in de theologische wetenschap, als waarvan in Groningen en Leiden werd vernomen, viel in Utrecht niets te bespeuren. Er heerschte een traditioneele, zwoele, loommakende, neerdrukkende gemoedelijkheid. Geen wonder, dat sommigen althans een jaar lang deze atmosfeer ontvluchtten en te Leiden Scholten gingen hooren; dat wie te Utrecht bleven, hospiteerden bij Donders ef Mulder, en dat allen geketend werden door de welsprekendheid van Cornelis Wilhelmus Opzoomer.
De jonge, aanstaande theologen werden door een soort van huivering bevangen, als zij voor het eerst de college-kamer van den befaamden man — Opzoomer — betraden. Het heugt mij nog zoo goed, in welk een angstige spanning, met een gevoel, bijkans van aan iets misdadigs deel te nemen, wij van de uitrafeling der dusgenaamde „bewijzen voor het bestaan van God” getuigen waren. Het ontologisch, het physico-teleologisch bewijs viel uiteen, en welk ander er mocht zijn, het was niet bestand tegen het logisch proces, waaraan het werd blootgesteld. Hoe sidderden de jonge, vrome harten, die het aanzagen. Men was gekomen met het devotelijk aangenomen geloof dat er een God was. Men had naar bewijzen nooit gevraagd. Doch nu het bleek, dat ze gegeven waren en dat ze op de keper bezien geen van allen bestaanbaar, laat staan afdoend waren — kon men nu nog het bestaan van God aannemen? Maar daarna — daarna wist Opzoomer het bestaan van God op te tooveren uit de „kenbron van het godsdienstig gevoel!” En dan — welk een opluchting, welk een verruiming! En de planken vloer der zaal op de eerste verdieping van het bouwvallig gebouw aan het einde van de Laage Nieuwstraat, waar Opzoomer college hield, daverde van het blijde voetgetrappel, dat de ontspanning te kennen gaf, zoodat de ruiten rinkinkten en de kachel met het oude haardstel mede rammelden van de algemeene ontroering. Daar was toch iets verkwikkends en stalends in het bewustzijn van een groote vraag, die de denkers had bezig gehouden, onder de oogen te hebben durven zien. Het was de aanraking met den tijdgeest die werd gevoeld, en iets werd er bespeurd van een worsteling der geesten, waarvan de Utrechtsche grachten geen zweem van besef hadden en die op de colleges der theologische professoren geen enkele emotie placht wakker te roepen.”
Dergelijke herinneringen teekenen den tijd, waarin een van Opzoomer’s meest beroemde leerlingen in de wetenschap werd ingeleid.
In Ritter’s biografie wordt nu gememoreerd, hoe Van der Wyck reeds in zijn studententijd en in de jaren die onmiddellijk op zijn promotie volgden, blijk gaf van zijn geestesrichting in menig geschrift, dat van zijn wijsgeerigen aanleg getuigde en hem tevens deed kennen als vurig aanhanger van Opzoomer’s wijsbegeerte.
Het bevreemdde dan ook niemand, dat toen in 1863 te Groningen de hoogleeraar in de wijsbegeerte De Greuve aftrad, de 27-jarige Van der Wyck door Opzoomer’s invloed als diens opvolger werd voorgedragen.
Zijn ernstige mededinger naar den leerstoel, Allard Pierson, had bedankt, weerstand biedende aan het verzoek door zestig Groninger studenten tot hem gericht. Den 7n Mei 1863 hield Bernard van der Wyck te Groningen zijn inaugureele oratie en, ondanks het afgetrokkene van het onderwerp, maakte de redenaar zulk een indruk op de jongelingschap, dat zij hem dien eigen avond met fakkellicht een spontane hulde bracht. Welke was de oorzaak van dien indruk? Zij was vooral gelegen in de toespraak aan het eind, die in den regel een beleefdheidsvorm, gemeend voorzeker, maar toch een beleefdheidsvorm is. De jonge Van der Wyck deed daarin den snaar trillen van piëteit voor zijn ouders, van dankbaarheid voor zijn leermeester.
Opzoomer en zijn vader — naast zijn moeder en naast haar, die later de gezellin zou worden zijns levens, heeft Van der Wyck deze twee het diepst vereerd. En die deugden straalden zoo innig en warm door in zijn toespraak tot de Groningsche jongelingschap, toen hij met deze woorden besloot: „De zaden van deugd en vroomheid, door U en mijn lieve moeder in mijn jeugdig hart gestrooid, zullen eeuwig vruchten dragen. De Hemel zij gedankt, die mij zulke ouders schonk. Liefelijk en onbewolkt neige uw beider levenszon ter westerkimme.”
Zijn werk te Groningen begon v. d. Wyck met het geven van eenige openbare lessen, waarvan prof. Van den Es, toenmaals conrector te Groningen getuigt: „meer dan veertig jaren vermochten niet de herinnering aan die wegsleepende voordrachten uit te wisschen”.
In datzelfde jaar 1863 werd Van der Wyck door de Hollandsche Maatschappij van Fraaie kunsten met goud bekroond voor zijn antwoord op de prijsvraag: „mr. Joh. Kinker als wijsgeer”, waarvan kort na elkaar twee