Wat aarde is, komt aarde rechtens toe;
Aan jou schenk ik mijn beste deel, mijn ziel.
Wat je verloor is immers droes van leven:
Mijn dode lijf, voor wormenprooi bestemd,
Door tijds zeis lafhartig weggesneden,
Is het niet waard dat jij het nog herdenkt.
Wat echt van waarde is, vloeit uit mijn schrijven:
Dit vers als vrucht van geest zal bij je blijven.
Sonnet 75
Voor mijn gedachten ben jij als brood voor 't leven,
Een zoete regenbui die d' aarde drenkt;
In onrust strijd ik om behoud van vrede,
Net als een vrek die aan zijn schatten denkt.
Nu trots bezittend, kort daarop vol zorgen
Om eenieder die mijn schat zou stelen;
Nu weer liefst alleen met jou, verborgen,
Dan weer met de wereld mijn wellust delend.
Soms gans verzadigd als ik jou adoreer,
Dan, hongerig naar je blik, de dood nabij;
Genot of vreugd smaak ik niet langer meer
Tenzij wat was of zijn zal mijn hart verblijdt.
Zo kwijn ik weg of vreet ik net teveel,
En zo wordt alles, of helemaal niets mijn deel.
Sonnet 76
Waarom is mijn vers zo wars van nieuwigheid,
Zo schraal en saai gewrocht op eender patroon?
En volg ik niet de mode van de tijd,
Met nieuwe vinding en complex vertoon?
Waarom toch steeds hetzelfde liedje zingen,
Gekleed in al te zeer vertrouwd gewaad,
Moet dan uit ieder woord mijn naam weerklinken,
Waar het ontstond en hoe het werd gemaakt?
Weet wel, mijn liefste, dat jij mij inspireert,
Jouw liefde geeft mij stof en argument,
Dus al wat 'k maak is oud in een nieuw kleed,
Gewiekst verpakt als was 't een fris geschenk.
Zoals de zon weer elke dag verschijnt,
Zo klinkt mijn zang als een herhaald refrein.
Sonnet 77
Je spiegel toont je wat je het meeste vreest,
Je zonnewijzer hoe snel je tijd vergaat:
Vertrouw aan blanke bladen toch je geest,
Een boek, waaruit je deze lering haalt:
Elke rimpel die je glas weerkaatst
Wijst naar het open graf dat jou verbeidt,
En de schaduw op je wijzerplaat
Hoe steels de tijd zich sleept naar eeuwigheid.