Naar inhoud springen

Pagina:De Sonnetten van Shakespeare (vert. Jules Grandgagnage, ca. 2021).pdf/3

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Want wat vermag de dood zo je ons verlaat
Als elk kind ons met jouw beeld verbindt?
Wees niet zo eigenwijs, je bent te mooi
En noch voor dood of worm geschikte prooi.


Sonnet 7

Aanschouw hoe in het oosten goddelijk licht
Het brandend hoofd verheft en ieder wezen
Zijn ogen baadt in 't majesteitelijk zicht,
Als eerbetoon aan 't vuur dat is herrezen.
Bij het volbrengen van zijn steile klim,
Zijn jonge kracht verspillend in zijn vaart,
Bewondert ieder sterfelijk oog die pelgrim
Op zijn onstuimig gouden bedevaart.
Maar in het zenit eindt zijn heldentocht
En wacht hem slechts de daling naar de nacht,
En elke blik die hem daarnet nog zocht
Kijkt weg van deze grijsaard zonder kracht.
Als jij zo verder leeft wordt dit je loon,
Je sterft onbekend, of maakt een zoon.


Sonnet 8

Je hoort muziek maar droefheid treft je ziel;
Heeft zoet of vreugd dan ooit zichzelf geweerd?
Waarom bemin je wat je mijden wil,
Of neem je met plezier aan wat je deert?
Als het akkoord van zoetgevooisd gepraat
In harmonie vereend jouw oor niet streelt,
En jij hun zoete unisono versmaadt
Klinkt zacht verwijt omdat je eenzaam speelt.
Hoor toch hoe elke snaar, als zielenbroeder
Naar orde voor en door de andere klinkt
Als waar het koning, kind en blijde moeder,
Verbonden in één mooie stem die zingt,
Wier woordeloze lied, met velen één,
Verzucht : "Niets ben je, want je bent alleen".


Sonnet 9

Is het uit vrees voor droeve weduwtraan
Dat je jezelf verteert in eenzaamheid?
Ach, weet dat als je kinderloos zou gaan
Dan wordt de wereld als een vrouw die lijdt
Een weduwe gelijk die maar blijft huilen
Omdat geen beeltenis van jou haar rest
Troost haar door in een kinderoog te schuilen
Zo blijft je vorm in haar geest geschetst.
Geef uit wat je belieft, jij kwistig heer,
De wereld heeft het nog, ‘t maakt geen verschil;
Maar schoonheid die je spilt komt nooit meer weer,
Hij doodt haar die haar niet gebruiken wil.