Slechts tijdelijk bloeit en zijn perfectie toont,
En dat de wereld als een podium is
Dat de sterren in het geheim besturen,
Bemerk ik dat de mens groeit als een plant,
Door 't hemels plan gestuwd of afgeremd
Eerst trots op het stromen van zijn sappen, later
Kwijnend tot zijn jeugd vergeten is,
Dit roept, in het besef hoe kort dit duurt,
Bij mij het beeld op van je jonge kracht
Waarover tijd en neergang zich beraden
Om jouw dag in nacht te doen verkeren,
Mijn liefde strijdt met d' almacht van de tijd
Door wat hij rooft in verzen terug te geven.
Sonnet 16
Waarom voer je niet zelf een heviger strijd
Tegen de tijd, die bloederige tiran?
Versterk jezelf tegen bederf van tijd
Met beter middel dan mijn gerijmel kan.
Nu straal je op het toppunt van je dagen
Met menige ongerepte tuin bereid
Om jouw gezaaide bloem te mogen dragen
Als trouwer beeltenis dan je schilderij.
Zo heelt de levenslijn uit jou ontstaan
De scherpe lijnen van tijds ruw penseel;
Niets van je geest of aanschijn blijft bestaan
Dan wat herinnering draagt aan jouw origineel:
Je bent de bewaarder van je eigen leven
Door jezelf in een andere vorm te geven.
Sonnet 17
Wie zal er later in dit vers geloven
Als 't met jouw hoogste gaven is gevuld,
Terwijl het als in een tombe zit ingesloten
Die het grootste deel van wat je bent verhult?
Zelfs als ik wist jouw ogen te beschrijven
En over al jouw hoogste charmes bericht,
Dan zegt men later: 'Wat kan die overdrijven,
Zo schoon, dat is geen enkel aards gezicht!"
Men zou mijn schrijfsels, van ouderdom vergeeld,
Als grijsaards honen om hun absurd geklets,
Mijn lof geraaskal noemen van een poëet,
Wiens dichtkunst rijmt als vergezocht gezwets.
Hoop dus dat er een kind van jou verschijnt,
Tweevoudig leef je dan: in zoon en rijm.
Sonnet 18
Een zomerdag is jouws gelijke niet,
Niets is er dat jouw schoonheid overtreft.
Een knop in mei is weg voor je hem ziet