kwam nog juist bijtijds, om vóór ’t chineesche nieuwjaar (30 Jan.) ten minste onze grootste schulden af te doen, maar was lang niet toereikend voor onze behoeften, die nog dagelijks aangroeien. Reeds drie jaren achtereen is hier de oogst mislukt. De heidenen uit den omtrek komen dagelijks met kleine en groote meisjes, die ze ons willen afstaan; dezen ochtend heb ik nog drie tegelijk gedoopt. Wat onze Christenen betreft, ik weet waarlijk niet hoe ze in ’t leven blijven: ze zijn te arm, om naar de kerk te komen en de H. Mis bij te wonen, te arm zelfs om te gaan bedelen, want om door de felle koude naar de kerk te gaan, meer nog om rond te gaan en aalmoezen te vragen, zouden zij zóóveel lompen en vodden aan ’t lijf moeten hebben, dat ze geen gevaar liepen van dood te vriezen, — en velen hebben die niet. Zemelen van het graan, dat voor de kinderen der H. Kindsheid gemalen wordt, is alles wat ik hun als voedsel kan uitdeelen. Ook bij vele, ja zelfs bij verreweg de meeste rebellen zijn gebrek en armoede de voornaamste drijfveer geweest van den opstand; alleen de aanvoerders hadden een ander doel. Met dat al staat de keizerstroon in China te waggelen, en bij deze poging om hem omver te stooten is duidelijk gebleken dat, zoo hij mocht neerstorten, wij met al onze Christenen gevaar loopen onder ’t gevaarte te zullen verpletterd worden.
We waren niet rijp voor de martelaarskroon. Maar uitstel is geen afstel.
’t Is mij voor ’t oogenblik onmogelijk, onze weldoeners en weldoensters afzonderlijk te bedanken; zij zullen zich, hoop ik, met een dagelijksch memento aan ’t altaar tevreden stellen.
De R. K. Kerk is toch een wonderbare instelling! Welk een schoone eenheid in zoo’n groote verscheidenheid! Amsterdam, Mao-chan-toung, Hollander, Chinees, Mongool, eenmaal Christen, gevoelen allen zich op ’t innigst verbonden. Schoon, ja schoon is ’t. Wonder? Neen, — wonder is ’t niet. Zijn we niet allen broerders en zusters in Christus? Zijn we niet allen kinderen van eenzelfde Moeder Maria?
Oremus pro invicem.
In S.S. Cord. J. & M.
W. Meijer, R. K. Pr.
BINNENLAND.
(Vervolg.)
OVERZICHT VAN DE KATHOLIEKE PERS.
Het Centrum schrijft:
Toen Windthorst ge[storven was, werd] in het katholieke Duitschland de vraag opgeworpen: wie hem als leider der katholieke partij in Rijksdag en Landdag zou [opvolgen? Op deze moeielijke vraag gaf een der bekwaamste leden] van het Centrum, dr Porsch, in een te Breslau gehouden rede ten antwoord: Niemand. De verdienstelijke spreker deed uitkomen, dat er geen bepaalde plaats van leider is, waartoe iemand volgens een bepaling van den voorganger of bij keuze zijner partijgenooten als opvolger kan worden geroepen. De leider van een partij, of van een gedeelte des volks verwerft langs geleidelijken weg de positie, waartoe zijn geestesgaven en de omstandigheden hem hebben bestemd.
Windthorst had bewezen dat hij inderdaad verdiende, een leider te zijn. Zijn helder doorzicht, zijn onvermoeide werkzaamheid, zijn strategische kennis en zijn ongemeen redenaarstalent hadden hem tot den hoogen post doen klimmen, waarop nagenoeg het geheele katholieke Duitschland hem eerde. Maar hij was niet alleen een man van veel invloed en ongeëvenaarde bedrijvigheid in het Parlement, hij was bovenal ook populair, een man, wiens naam zweefde op aller lippen, die, waar hij zich vertoonde, immer met geestdrift en vertrouwen werd begroet, die, waar hij als spreker optrad, altijd volle zalen trok, en wiens welsprekend woord een echo vond in eindelooze toejuichingen.
Waartoe dit alles? zal de lezer wellicht vragen. Tot antwoord verwijzen wij hem naar de curieuze gedachtenwisseling, waarvan onze Tweede Kamer in de vorige week getuige was. De lezers van Het Centrum kennen de verrassende verklaringen van den vechelschen afgevaardigde, den heer Van Vlijmen: „Mijnheer de voorzitter, ik stel er prijs op, te verklaren dat wij geen leider erkennen.” Zelden zal in een Parlement zulk een verklaring zijn afgelegd. Wanneer het er den heer Van Vlijmen om te doen is geweest, om eens iets heel origineels te zeggen, dan is hij daarin volkomen geslaagd. De vraag is nu, of zijn verklaring van groot gewicht is; en het antwoord hierop moet ongetwijfeld ontkennend luiden. Evenmin als men een leider op de gewone wijze kan benoemen, evenmin kan men hem overboord werpen, wanneer hij leeft in het hart des volks. De vechelsche afgevaardigde deed hier uitspraak in een zaak, waarin eigenlijk de publieke opinie en de omstandigheden beslissen. Een leider, zeide een duitsch blad bij Windthorst’s dood, dringt zich naar voren door den loop der gebeurtenissen. Zijn gaven doen hem telkenmale uitblinken, zij stellen hem steeds in het eerste gelid, en de massaas die hem begrijpen, die hem verstaan, op wie zijn woord vat heeft, vlechten hem een krans, die geen ander verwerven kan.
Zóó is het inderdaad. Niet een officieele benoeming maakt den leider, — evenmin als b. v. een mandaat van afgevaardigde of een ministerieele portefeuille, zonder meer, iemand tot een staatsman verheft, — maar de publieke opinie, de omstandigheden, het uitblinkend talent. Wanneer nu de heer Van Vlijmen heeft willen zeggen dat in zijne omgeving zulk een man niet gevonden wordt, dan kan men die meening eerbiedigen, mits men slechts in het oog houde, dat niet één man, maar het geheele volk heeft te beslissen, of ons Parlement een man telt, wien de eerenaam van leider kan worden toegekend!
„Consequent?” vraagt Rusticus in het Noordbrabantsch Dagblad.
Gij hebt, mijnheer de redacteur, eenige moeite gehad, om tegenover uwe stedelijke zuster-redactie uw recht staande te houden van, in alle bescheidenheid, een oordeel te vellen over politieke aangelegenheden.
Gij weet, gij zijt niet de eenige, die daaromtrent moeilijkheid ondervindt; het is veeleer van algemeene bekendheid, dat, op een autoritairen toon, die tot de minder aanbevelenswaardige hebbelijkheden van een zeker gedeelte onzer pers dreigt te gaan behooren, den lieden, met welke deze corypheeën het niet eens zijn, beduid wordt, dat zij eenvoudig hun mond hebben te houden.
Indien men het heel fraai wil zeggen, wordt hoog opgegeven van „eminente mannen, hooggeschatte en verdienstelijke Katholieken; mannen van ongeëvenaarde talenten”, die men eenvoudig en gerust kan volgen, en waarbij men zich veiliger zal bevinden dan bij het volgen van dezen of genen jaloerschen betweter, die het stralen der zon niet verdragen kan.
Men hoort het refrein nog dagelijks zingen, hetwelk in klaar Hollandsch niets anders beteekent dan: „Mijn lieve man, waar bemoeit gij u toch mee? Hoe durft gij oordeelen over een genie, dat wij ook niet begrijpen?”
Zie, mijnheer de redacteur, ik kan u niet zeggen hoe dergelijk verwijt mij bevreemdt.
Gij, en ik, en zooveel anderen, wij mogen over dr Schaepman niet oordeelen; dat is immers de beteekenis dezer machtspreuk. Waarom niet? Ik vraag het mij nòg af. Wij hebben toch ook eenige studiejaren achter den rug; we zagen zoo al een en ander in ons leven; we verkeerden van onze jeugd af in kringen, waar de belangen van Kerk en Vaderland een niet al te ondergeschikt gedeelte van de dagelijksche bezigheden en gesprekken vormden. Wij weten ten minste iets van de beschavings-geschiedenis van ons werelddeel; wij blijven zooveel mogelijk op de hoogte van wat onze haastige samenleving voortbrengt op haar zoo veelzijdig gebied. Ook de politieke geschiedenis van ons Vaderland, de talrijke uitingen onzer dagelijksche pers bleven ons niet onbekend; we behooren toch, gij en ik, en zooveel anderen, tot „de gebildete Laien”, zooals onze duitsche buren zeggen. Ik weet het wel, het is nog o zoo weinig. Daar hoort nog zooveel, zoo oneindig veel meer toe, om in staat te zijn een oordeel te vellen over de groote vraagstukken, die in de politiek ter sprake komen; niemand is er meer dan ik van overtuigd, hoe gering onze kennis is en hoe onvolmaakt dat weinige. En indien op dezen grond iemand ons het recht om te oordeelen ontzeide, wij zouden in alle nederigheid het hoofd buigen en zeggen: „Gij hebt gelijk!”
Maar als diezelfde censor, terwijl hij ons onbekwaam acht, ons die al kiezer zijn en dus verplicht tot oordeelen, nog anderen, nòg minder ontwikkelden tot het stemrecht roepen wil; indien hij, vooropstellende de oneindige moeilijkheid zelfs voor ontwikkelden om in deze een juist oordeel te vellen, de critiekste onderwerpen aan de beslissing van den grooten hoop wil onderworpen zien, dan veroorloven wij ons met bescheidenheid maar met grooten nadruk dien censor, dien Noordbrabanter, dat Centrum, die schrijvers en schrijvertjes, welke zich allen met één grooten naam moeten dekken, te vragen: „Is dat consequent?”
Gij beklaagt u over onbevoegdheid, en [roept nog meer onbevoegden.]
Want daarover [gaat het dan toch. Wat eischthet vaderlandsch belang: vrijhandel] of bescherming? leerdwang of ambachtsonderwijs? directe belasting of indirecte? Staatscultuur in Indië of vrijen arbeid? Verlangt gij differentieele rechten, en opiumregie of wel pachtstelsel? En hoe denkt gij over kiesrecht, en over democratie, en over staatstusschenkomst, en over arbeiders-organisatie en arbeiderscontract en arbeidsregeling? En wat oordeelt gij over het defensie-vraagstuk en over het muntstelsel, en over onze verhouding tegenover de andere, staatspartijen?
Deze vragen, hooggeleerde censoren, deze vragen, en tallooze andere bont en verscheiden als de inventaris van Sjaalmans pak, verlangt gij niet door ons, de relatief eenigszins ontwikkelden, maar door Jan en alleman, niet door mij, den man van onafhankelijkheid, van studie en ervaring, maar door mijn koetsier of schoenpoetser beantwoord te zien; want kiezen, gij zult het niet ontkennen, is oordeelen; kiezen is antwoorden op de vraag: „Wat is het beste?”
Nogmaals, is dat consequent?
De Nieuwe IJselbode schrijft over de financiëele plannen der Regeering:
De liberalen hebben er inderdaad slag van om voor regeeringspartij te spelen. Geen gedweeër schapen volgden ooit de schreden van den herder.
Toen de overeenkomst, onder het koloniaal bestuur van baron Mackay met de Billiton-Maatschappij gesloten, door minister Van Dedem in de Kamer werd aangeboden, durfde de minister wel op verwerping aandringen en lachte de geheele liberale partij met de vrees, die ter Rechterzijde uiting vond, dat de Staat in een langdurig en kostbaar proces zou kunnen gewikkeld worden.
Doch nu de liberale minister van Koloniën voor een nieuwe overeenkomst de bekrachtiging der Kamer inriep, waarde eensklaps het spooksel van een proces ook door de liberale hersenen, die nog zoo kort geleden op staatsexploitatie hadden aangedrongen. Wel waren er een paar liberalen, die den gebraden haan uitingen en zich de weelde van tegen te stemmen bleven veroorloven, maar zij konden zich dit gerust veroorloven, omdat er geen zweem van gevaar voor verwerping der overeenkomst bestond.
Vast aaneengesloten, steunen zij altijd de Regeering, die uit hun midden optrad, en, hebben zij eenmaal de volgelingen van Kappeyne bestookt en uitgedreven, zij hebben ootmoedig boete gedaan over zooveel stoutheid en de uitgestootenen niet alleen in genade weder aangenomen, maar hen zelfs op de plaats der eere gesteld.
Inderdaad, de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts!
Ook nu is er weer moeilijk een touw vast te maken aan de wijze van doen van de liberale Regeering, en hadde een Regeering uit de Rechterzijde ooit aldus gehandeld, er ware geen einde gekomen aan het ach- en weegeroep van de liberalen.
Immers, wat is het geval?
Eerst komt de grootste der liberale financiemannen, de heer Pierson, de hoogste troef, dien de liberalen in handen hebben, met nogal ingrijpende hervormingsplannen op financieel gebied. Deze minister legt de verklaring af, dat de voorgedragen hervormingen slechts een gedeelte zijn van een ruimer plan, en dat de vermogens-belasting een noodzakelijke bekroning moet vinden in een later van hem te verwachten bedrijfs-belasting.
En terwijl het eerste gedeelte van deze hervormingen, de vermogens-belasting, nog moet behandeld worden, komt eensklaps de minister van Binnenlandsche Zaken, de heer Tak, zijn ambtgenoot van Financiën in de rede vallen met een voorstel tot uitbreiding van de kiesbevoegdheid. En wel wordt het fijne van de zaak nog geheim gehouden, maar toch is al zooveel van de plannen des ministers bekend, dat men veilig mag aannemen, dat bij aanneming zijner voorstellen het kiezerscorps minstens zal verdubbeld worden.
Hoe bij dezen stand van zaken, nu aangestuurd wordt op een Kamer-ontbinding — noodzakelijk gevolg van zulk een uitbreiding van de kiesbevoegdheid — hoe er nu nog van iets anders sprake kan zijn dan van die uitbreiding, ziedaar wat niet gemakkelijk te begrijpen is. Zelfs voor een volledige herziening van het belastingstelsel zou het nu de tijd niet meer zijn. Is zulk een uitbreiding van de kiesbevoegdheid eens aan de orde, dan vraagt zij niet alleen de prioriteit, maar neemt zij volkomen de geesten in beslag. Daarom is de tijd voor herzienings-voorstellingen in zake belastingen voorbij, totdat de herziening van het kiesrecht op de eene of andere wijze van de baan is. Te meer geldt dit van halve voorstellen, waarvan de andere helft eerst na zekeren tijd de Volksvertegenwoordiging zal bereiken.
Het gaat immers niet aan, dat er nu een vermogens-belasting zou worden opgelegd, die de noodzakelijke wisselwerking eener bedrijfs-belasting onderstelt, terwijl de laatste zou achterblijven. En is de uitbreiding van kiesbevoegdheid eens aanhangig, dan komen daardoor èn Kamer èn Ministerie op losse schroeven en vervalt alle zekerheid, dat de vermogensbelasting ooit haar noodzakelijk complement in de bedrijfs-belasting zal vinden.
Zoo haalde minister Tak een noodlottige streep door de plannen van zijn ambtgenoot voor Financiën.
Ware de liberale meerderheid niet zoo gedwee, dan mocht men hopen, dat op de uitbreiding van kiesbevoegdheid — die immers volgens den liberalen catechismus de noodzakelijke voorwaarde is van alle verbetering — alle kracht zou worden geconcentreerd.
Geheel anders oordeelt de heer Jan Truyen in het Venloosch Weekblad. Wij lezen:
De aangeboden en aangekondigde wetsvoorstellen, ’t is genoeg bekend, laten nog veler wenschen onvervuld. De zoo lang en zoozeer gewenschte evenredige verdeeling van lasten zal nog niet verkregen worden, zelfs niet wanneer ook het hoofdvoorstel, „de vermogens-belasting”, een geduchte wijziging, in goeden zin, mocht ondergaan.
Hoe ook de voorgedragen ontwerpen, bij eventueele aanneming, er zullen uitzien, te verwachten is het niet, dat het kapitaal zijn billijk aandeel in ’s Rijks lasten zal worden aangewezen. De grondeigenaars zullen nog wel voorloopig, zoo niet voor altijd, de groote lastdragers blijven.
Hiermede is echter nog niet gezegd dat de belasting-voorstellen van minister Pierson verwerpelijk zijn te achten.
Beloven die voorstellen ook niet juist wat wij wenschen, dit neemt daarom niet weg, dat de aanneming daarvan een eerste stap in goede richting zou zijn. De kapitalisten, die tot nu toe van nagenoeg alle belasting ontheven waren, zouden [dan eindelijk hunne bevoorrechte positie] moeten opgeven.
Twee groote voordeelen zijn daarvan te verwachten.
Het eerste is: dat bij eventueelen geldnood de Staat het middel zal gevonden hebben om zich te redden, zonder dat het noodig zal zijn, de reeds zoo zwaar belaste mindere standen nog meer te bezwaren.
Dit eerste voordeel zal wellicht een tweede, en nog wel het voornaamste, ten gevolge hebben, namelijk: een voorzichtige en zuinige staathuishouding.
Wij zullen hier eenige oogenblikken stilstaan, om dit laatste wat nader in het licht te stellen.
Tot hiertoe was het kapitaal in onze beide Kamers sterk vertegenwoordigd. De kapitalisten voerden er het hooge woord, en in den regel zagen zij er hun haan koning kraaien.
Geen wonder dus, dat het kapitaal onbelast bleef, en dat de honderden en nogmaals honderden millioenen, gevraagd voor den aanleg van werken, welke de groote commercieele en industrieele ondernemingen — dat wil zeggen: het kapitaal — zouden ten goede komen, grif werden toegestaan. Waarvoor toch zou men terugdeinzen? Nederland had immers krediet genoeg, om de buitensporigste uitgaven door leening te kunnen dekken. En de renten? Die zouden de minder gegoede standen wel hoofdzakelijk betalen. Het gold toch uitgaven van algemeen belang.
Zoo of zoo omtrent ging het vroeger. Maar worden nu de ontwerpen-Pierson aangenomen, dan wordt de toestand heel anders.
De Kamerleden-kapitalisten zullen zich dan wel twee maal bedenken alvorens aan belangrijke, laat staan buitensporige staatsuitgaven hun goedkeuring te geven. Want zoodra er geld te kort komt, zal men in de eerste plaats het kapitaal aanspreken.
Het eigenbelang zal hen minder toegevend maken, en een spaarzamer huisouding zal er wellicht het gevolg van zijn.
Maar, zal men misschien opwerpen, als de toestand zoo is, dan heeft de vermogens-belasting weinig kans van slagen. Zullen de kapitalisten, die zoo’n groote stem in het kapittel hebben, zulk een wet wel aannemen?
Zij zullen haar niet licht verwerpen. De nieuwe Kieswet heeft nieuwe elementen in de Kamers gebracht, en, wat meer is, men begint in den laatsten tijd wat meer rekening te houden met de wenschen der minder bevoorrechte standen. Hoe dat komt, hebben wij thans niet te onderzoeken, het is in dit geval voldoende, dat het zoo is. Dit blijkt o. a. uit het pas verschenen voorloopig verslag der Tweede Kamer, waarover ook nog wel een en ander valt te zeggen.
DE BRAND VAN DE ST. CHRISTOFF[E]L.
Aan den Maas- en Roerbode ontleenen wij nog het volgende over den brand van de kathedraal van Roermond:
In de kerk-zelve is geen belangrijke schade aangericht. Wel is hier en daar door de in de gewelven aanwezige gaten vuur gevallen en zijn eenige graven door het ingespoten water ineengezakt, maar die schade zal gemakkelijk te herstellen zijn.
De gewelven schijnen weinig geleden te hebben. Men is thans druk bezig met een lier balken, riggels en planken naar boven te hijschen, om de gewelven te bezwaren, ten einde daarna de al of niet deugdelijkheid ervan te constateeren. Ook is men bezig den puntgevel aan de Marktzijde laag vóór laag af te breken, ten einde gevaar voor de omliggende huizen, alsook voor het Maria-koor te voorkomen. Voorzichtigheidshalve heeft men het schoone altaar uit dit koor weggebroken, om beschadiging daarvan te voorkomen.
De inspecteur der brandassurantiemaatschappij Assurance Générale te Brussel was Maandag hier. De aangebrachte schade bedraagt vermoedelijk ƒ 150,000.
Zooals men weet, was de toren verzekerd voor 200,000 frank, de kerk met meubelen enz. voor 474,000 frank.
Hoewel toren en kerk veel hebben te verduren gehad, schijnen de muren toch tegen de kolossale hitte bestand te zijn geweest. In den toren hebben wij geen barsten of uitzettingen kunnen waarnemen; in de kerkmuren enkele barsten, doch ik weet niet zeker, of deze er al niet vóór den brand in waren.
De fraai geschilderde glasramen in de kerk zijn allen gespaard gebleven,
Het Christoffel-beeld, dat reeds veel heeft geleden door den geduchten val, heeft echter nog meer te lijden van de vele belangstellenden, die wenschen een stukje van het beeld in eigendom te hebben, om dat als een herinnering van de ramp van 20 Mei te bewaren. Zoo ziet men ook velen onder den toren zich alle moeite geven, om iets van het gesmolten brons der klokken te bemachtigen, ten einde dit bij hun verzameling antiquiteiten neer te leggen.
Zaterdag zag men links en rechts teekenaars bezig om van toren en kerk potloodschetsen te maken.
Vrijdag-avond gedurende den brand zijn reeds photographische afbeeldingen gemaakt van den bedreigden toren en van de kerk.
Gedurende den brand zijn enkele feiten voorgekomen, die nog de vermelding waard zijn; zoo hebben bij den heer Windhausen soldaten en burgers op den hooizolder urenlang gezeten, om de daar nedervallende vonken op te vangen en te smoren, ten einde brand in het hooi te voorkomen. Dit moest men wel doen, want indien men water in het hooi gegespoten had, zou het bedorven zijn.
Op het dak van het Stadhuis heeft men urenlang de wacht gehouden, om eveneens het gevaar van de neervallende vonken te voorkomen.
In verscheiden dakgoten zag men mannen wandelen, op gevaar af van eraf te vallen en daardoor het leven te verliezen of een of ander lichaamsdeel te breken. Kortom, van veel zijden heeft men bewezen dat de roermondsche burgerij met een geest bezield is van behulpzaamheid en alles wil aanwenden, wanneer het geldt het gevaar van anderen af te wenden.
Persoonlijke ongelukken zijn, behalve de verwonding van den opperbrandmeester, bij den brand niet voorgekomen.
Aan de militairen der artillerie en infanterie komt nog een woord van dank toe voor hun flink optreden, zoowel bij de brandspuiten als bij het redden en bergen van goederen uit de bedreigde woningen.
Ook moet een woord van lof gebracht worden aan de gemeente-politie en maréchaussees voor hun flink en kalm gedrag.
Verder heeft onze brandweer zich bij deze gelegenheid ijzervol gedragen en beschermde op flinke wijze de omliggende gebouwen tegen gevaar.
Behalve Z. D. H. Mgr Boermans, de [onleesbaar] [commissaris-generaal?] [en de burge]meester bewogen zich ook eenige Gemeenteraadsleden op het terrein en stonden onzen ijvervollen burgemeester flink bij in het doen geven of uitvoeren van bevelen.
— Binnen eenige dagen zal verschijnen de thans reeds ter perse zijnde volledige Beschrijving van den brand der kathedraal van Roermond, voorzien van historische aanteekeningen. Voor allen, die de Groote Kerk vóór den brand kenden, die vroeger in de Christoffelstad verbleven, voor alle Roermondenaars, die getuigen waren van de catastrophe op 20 Mei jl., zal dit werkje een blijvende herinnering zijn. Vooral voor de archieven zal dit memoriaal van veel waarde wezen.
De prijs is matig gesteld. Schrijver is de heer A. F. Van Beurden, landmeter van het kadaster te Roermond.
’s-Gravenhage, 26 Mei. Bij de Staten-Generaal zullen weldra de noodige gelden worden aangevraagd tot aankoop voor rekening van het Rijk van het terrein aan den Bezuidenhoutschen Weg, vroeger ingenomen door het Panoramagebouw en bestemd voor het oprichten van een rijksarchief-gebouw.
— 27 Mei. Heden-avond 5½ uur is graaf Von Rantzau, gezant van het Duitsche Keizerrijk bij ons Hof, per Staatsspoor naar Berlijn vertrokken, ten einde tegenwoordig te zijn bij de ontvangst en het verblijf van onze Koninginnen aldaar.
— Het gevolg van HH. MM. de Koninginnen zal morgen-middag de reis naar Berlijn aannemen.
Steenbergen, 27 Mei. Naar wij uit goede bron vernemen, zal met het leggen van den tramweg spoedig een aanvang worden gemaakt. De aanbesteding der nieuwe brug over den Vliet (voor rekening der Maatschappij) zal binnen eenige dagen plaats hebben. Bestek en teekening zgn reeds gereed.
Rozendaal, 27 Mei. Door den Gemeenteraad is besloten, de exploitatie van de gasfabriek onder zijn direct beheer te nemen.
Het traktement van den te benoemen directeur is gebracht op ƒ 1300.
Nijmegen, 26 Mei. Men weet dat men zich alhier sedert de opening der spoorlijn Nijmegen—Arnhem op 15 Juli 1879 met een zeer onoogelijk en gebrekkig hulpstationsgebouw der Staatsspoorwegen heeft moeten behelpen, zoodat dan ook meermalen bij de Regeering op het bouwen van een definitief stationsgebouw is aangedrongen. Aan den wensch van Nijmegens ingezetenen zal nu weldra voldaan worden, daar toch de minister van Waterstaat enz. op een desbetreffende vraag aan den Gemeenteraad heeft bericht, dat nog in dit jaar met het bouwen van een hoofd-stationsgebouw te dezer stede zal worden aangevangen. Daarmede zal de prachtige nieuwe wijk der stad, welke sedert de opening van gezegde spoorlijn op de geslechte vestinggronden is verrezen, eerst tot haar recht komen, daar de aanleg van verscheiden straten en singels gebaseerd is op de plaats, waar het definitief stationsgebouw zal worden opgetrokken. (A. Ct.)
STADSNIEUWS.
Het Congres der „Maatschappij ter bevordering der Bouwkunst”.
Te 2 uur gisteren-middag vingen de werkzaamheden aan in de sectiën.
In de eerste sectie, kunst, sprak allereerst de zeereerw. heer jhr H. C. J. M. Van Nispen tot Sevenaer over: „Het ideaal der kunst met betrekking tot de maatschappelijke orde”.
Hij begon met zijn leedwezen te kennen te geven dat hem slechts 20 minuten voor de behandeling van zijn onderwerp was gelaten. Het was toch een edel onderwerp, groot van omvang; en werd het goed en uitvoerig behandeld, dan zou het veel nut kunnen stichten, ook voor het herstel der sociale orde, en de welvaart van den handwerksstand.
Hem is thans alleen overgelaten, over het hoofddenkbeeld te spreken en aan te toonen 1o dat het ideaal bestaat, om daarna 2o te gewagen van het wezen en de werking van dat ideaal, dit laatste met het oog op de sociale orde en de welvaart van den werkman.
Het bestaan van het ideaal was, meende spreker, zoo meesterlijk geschetst door Paulus in zijn geschrift aan de Colossensen, waarin de Apostel helder uiteenzet, dat de mensch is van Gods geslacht. Spreker zeide, zich bij het ideaal volkomen aan te sluiten.
En wat nu het wezen van dat ideaal betreft, dat is één; de deelen zijn symmetrisch vereenigd, en gezamenlijk werken alle deelen tot een hoofddoel.
Is de mensch door zijn ideaal bezield, dan wordt hij tot een ander wezen herschapen. Hij is vol leven en beweging. Hij is vindingrijk en ontdekt allerlei hulpmiddelen om tot zijn doel te komen. Hij gevoelt zich tevreden en gelukkig, ook wanneer offers van hem worden geëischt.
Hij zal de orde liefhebben en hechten aan eenheid, haten allen tweestrijd. Zijn geluk ligt in het handhaven der orde. Het is dus niet onverschillig, of de kunstenaars door het ideaal zijn bezield. Maar het bewaren van het ideaal bevordert ook de welvaart van den werkman. De machine wordt door die handhaving teruggebracht op haar plaats.
Het ideaal vraagt slechts afwisseling, — de machine enkel eentonigheid. Een rechtgeaard werkman, die het ideaal koestert, arbeidt niet alleen om zuiver materieele winst, niet uit liefde voor het voordeel, maar ook uit liefde voor zijn taak, voor zijn plicht en voor zijn werkstuk. En dat dit vooral zoo behoort te wezen, trachtte spreker aan te toonen met enkele voorbeelden uit het dagelijksch leven.
Spreker besloot zijn boeiende rede met den heeren architecten toe te roepen, dat de welvaart, de eer en de vreugd van den werkman voor een groot gedeelte in hun handen liggen; daarom wenschte hij hun aan te raden, het ideaal van de kunst hoog te houden en te bewaren. (Applaus.)
De heeren prof. Pierson en Armand Sassen deden enkele vragen, die de heer Van Nispen beantwoordde, aan het slot waarvan de vergadering luide haar instemming met het door hem gesprokene te kennen gaf.
De heer J. R. De Kruijff handelde hierna over het verband tusschen bouwkunst en kunst-nijverheid en de meest gewenschte betrekking tusschen de wederzijdsche beoefenaars.
Spreker kwam daarbij tot de conclusie dat de bouwmeester van een woning tevens zij de raadgever bij haar volledige inrichting tot een gezellig verblijf, maar geenszins de man om al het huisraad te detailleeren.
Het meubelen in stijl, tot in de bijzonderheden overgelaten aan den teekenaar-architect, is niet bevorderlijk aan de gezonde ontwikkeling, het kunstambacht.
Het niet in stijl meubelen, mits onder beschaafde leiding, kan toch een harmonisch geheel vormen. Maar in den toestand van overgang, waarin bouw- en versieringskunst verkeeren, is het advies van den bouwmeester een waarborg, die tegen grove afdwalingen behoedt.
De heeren Van Nispen en Muysken hadden bedenkingen tegen deze conclusie. De laatste vindt het denkbeeld nieuw, dat een architect zich alleen met het gebouw in hoofdlijnen te bemoeien heeft, en in strijd met de denkbeelden van Semper en Violet le Duc, architecten-philosofen, wier werken nog steeds de wetboeken der architecten zijn.
De heer Kruijff, repliceerende, deed daarbij uitkomen, dat hij bedoeld had dat een architect niet te veel moest detailleeren. Er zijn b. v. zaken, als van meubileering, stoffeering, waarmede een architect niets te maken heeft.
Aldus bedoeld, kon men zich met de hoofdstrekking der stelling wel vereenigen.
In de 1o sectie handelde de heer G. E. V. L. Van Zuylen nog over: „den artistieken eigendom”. Bij ons wordt het werk van den architect publiek eigendom. Men is het daarover echter in ’t geheel niet eens in de artistieke wereld. En ofschoon het moeilijk zal zijn, dat de architectuur zich bij andere schoone kunsten op dat gebied aansluit, meent hij toch dat het van belang kan zijn, dat de bouwkunstenaars zich bij beweging in het buitenland aansluiten. Zijn conclusie, dat wij evenzeer bescherming van den artistieken eigendom als een octrooiwet behoeven, werd met algemeene stemmen goedgekeurd.
In de IIe sectie, constructie, sprak de heer N. M. Koning over de resultaten en het nut van het onderzoek van bouwmaterialen. De heer J. W. C. Tellegen bracht de keuring in verband met het onderwijs aan de Polytechnische School.
Beiden achtten keuring, zelfs bij kleinere werken, noodig, en de Staat diende een proefstation, liefst te Delft, op te richten. De heer Tellegen zeide, geen partij te kiezen tegenover bestaande proefstations. Hij wenschte alleen verbetering van den nog slechten toestand ten deze.
Aan het debat, dat hierop volgde, namen deel de heer Simons, die de zaak eerst nog in de afdeelingen wilde behandeld zien; de heer Knuttel, die voor particulieren bouw ook particuliere proefstations aanbeval, en de voorzitter dr Cuypers, die voor een staats-station was.
Het resultaat was, dat de conclusie aangevuld werd met de woorden „naast de particuliere stations”, en dat het staatsstation ook beschikbaar gesteld worde voor particuliere doeleinden.
De heer J. Th. J. Cuypers handelde vervolgens over de ijzerconstructie, welker grondbeginselen hij in eenvoudige taal geformuleerd en onder bouwkundigen verspreid wenschte te zien. Met zijn denkbeelden bleken allen in te stemmen.
De heer M. Symons sprak eindelijk nog over stoomverwarming. Hij achtte centrale verwarming voor woonhuizen wenschelijk, en om voor eenigszins regelmatige luchtverwisseling te zorgen, moest de afvoer van de bedorven lucht in verhouding gebracht worden tot de noodige hoeveelheid verwarmde buitenlucht. Zijn rede lokte geen bedenkingen uit.
In de IIIe sectie, sociale vraagpunten, hield gisteren-middag allereerst de heer dr E. Wintgens een voordracht over „Wat kan in het belang van den arbeider gedaan worden tot bevordering van goede woningen?” De conclusie van deze rede was, dat een rijkswet op de arbeiderswoningen noodzakelijk is voor duurzame bestrijding van den woningennood der arbeidende klasse. Indirect worde de bouw van arbeiderswoningen door den Staat bevorderd.
De heer G. E. V. L. Van Zuylen sprak over „wettelijke bepalingen tot het opruimen van oude en niet aan de maatschappelijke eischen voldoende woningen”. Van het hierover gesprokene was de conclusie (die gelijk de vorige bij acclamatie door de vergaderden werd aangenomen): „Nederland dient mede den weg te volgen, reeds door andere natiën ingeslagen, en wettelijke bepalingen in het leven te roepen, waardoor het afbreken en opruimen van niet aan de hygiënische en maatschappelijke eischen voldoende buurten of gebouwen, zonder stoornis voor het algemeen belang, mogelijk en verplichtend wordt.”
Aan het debat, de laatste conclusie voorafgaande, namen verscheiden der vergaderden deel. De heer Heldt, lid der Tweede Kamer, wenschte het der gemeenten gemakkelijk gemaakt te zien, panden en terreinen, in de kom der gemeente gelegen, te onteigenen. Anderen klaagden over slechte rioleering onder de woningen in de nieuwe wijken en wilden toezicht op hen die bouwen.
Ten slotte besprak de heer P. Smitt „de wenschelijkkeid van een wettelijke bepaling omtrent den duur van den arbeidsdag”. Hij constateerde, dat in deze nog niets door den Staat gedaan is, en spoorde de vergadering aan, zich te verklaren voor de strekking van het onlangs aan de Regeering gezonden adres door twee-en-twintig vakvereenigingen in den lande.
Een breedvoerig debat, waaraan o. m. Armand Sassen en mr. Treub deelnamen, volgde op deze voordracht, waarover geen conclusie gesteld was. In dit debat kwam ook de achturige arbeidsdag ter sprake, doch het meerendeel der vergadering achtte blijkbaar, met mr. Treub, de hedendaagsche maatschappij daarvoor nog niet rijp.
De laatste Wedrennen.
Voor het laatst heeft onze stad eergisteren hare wedrennen beleefd, want binnenkort zal het Museumterrein een herschepping ondergaan, waarin de groote renbaan het eerst betrokken is.
’t Scheen dat alles wilde medewerken om dit laatste feest glansrijk te doen gelukken. Het weer [wa]s fraai, hoewel wat warm, er kwamen veel en goede paarden op de baan, en er was een bijzonder talrijk publiek.
Het feest werd kort na éénen aangevangen met een concours voor het mooiste en best gaande rijpaard. 19 paarden waren hiervoor ingeschreven en dongen om de 4 prijzen.
De 1e prijs, een vermeille medaille en ƒ 50, werd toegekend aan Emir, 7jarige donkerbruine ruin, van luit. baron Van de Capellen.
Het volgende nummer was een concours voor het beste springpaard. 17 paarden waren ingeschreven.
De eerste prijs werd behaald door Beauty, van luit. Von Bohlen.
Hierna vingen de eigenlijke wedloopen aan met no. 3, wedren op de vlakke baan voor paarden van 3 jaar en ouder (handicap).
Van de 4 ingeschreven paarden kwam Jarl niet aan de start, zoodat slechts Fragoletto, Southshore en Givendale reden.
Givendale van D. J. Wolterbeek, legde de baan van 1800 meter het vlugst af en won den eersten prijs (ƒ 450). Deze uitslag was niet verwacht.
Nog grootere verrassing bood het volgend nummer: Nationale harddraverij (aangespannen), voor nederlandsche paarden van 3 jaar en ouder, over een baan van 2400 tot 2850 meter.
Van de zes paarden won Tabor III, van K. Swaag, te Berkhout (2400 meter in 4 m. 57 s.), den eersten prijs, ƒ 300.
Het vijfde nummer was een steeple chase voor paarden van 4 jaar en ouder.
Princess Ida bleef weg, zoodat vier paarden de 3300 meter lange baan aflegden. Den 1n prijs, ƒ 500, behaalde Lord Star, van J. J. Korthals Jr.
Thans wisselde de kans ter gunste van de favorites.
Het volgend nummer was Aanmoedigings-harddraverij (aangespannen), voor nederlandsche paarden van 4 jaar of ouder, en werd in drie seriën, op tijd, gereden. Baanslengte 2400 meter, 16 deelnemers.
1e Prijs: ƒ 125, Olga, van J.G. De Boer, te Utrecht, in 4 min. 52 1/5 sec.
Bij den Afscheidsprijs (hordenren voor paarden van 4 jaar en ouder) over 2500 meter, was de uitslag, dat Princess Ida, van messrs Wapuho, den eersten prijs, ƒ 500, won.
Ten slotte volgde een internationale harddraverij (aangespannen), over een baan van 3200 à 3600 meter.
Eerst aankomende Ussan, welk paard werd gedisqualificeerd wegens het rennen over meer dan 500 meter. 1e Prijs: ƒ 350, Rejected.
Eerst tegen 5.30 was de laatste wedren er geweest. Amsterdam is van nu af renbaanloos!
Door de politie alhier is dezer dagen bij de kasteleins rondvraag gedaan, wie van hen voornemens is met 1 Juli a. s. de bediening door kellnerinnen af te schaffen.
Oorzaak van die rondvraag is de bekende verordening van den burgemeester, dat bier- en koffiehuizen, waar kellnerinnen bedienen, om twaalf uur ’s nachts gesloten moeten zijn, terwijl in lokalen, waar mannelijke bediening is, het sluitingsuur op één uur, zegge half twee, bepaald blijft.
Het Nbl. v. Ned. herinnert eraan, dat het vergunningsrecht een geheel jaar wordt vooruitbetaald, en vraagt, of het wel te verdedigen is, dat midden in het jaar een verordening in werking wordt gebracht, die aan de waarde van dat vergunningsrecht niet onbelangrijk afbreuk doet?
De fabriek der Diamantslijperij-Maatschappij, gelegen aan de N. Achtergracht alhier, is op practische wijze verbouwd naar de plannen van de architecten W. C. & K. De Wit.
De vier verdiepingen, die door gemakkelijke trappen in gemeenschap staan, zijn allen op doelmatige wijze van gas- en waterleiding voorzien. De bouw, die in de maand October van ’t vorige jaar is begonnen en met heel veel moeilijkheden heeft te kampen gehad, was reeds den 1n Mei volbracht.
Het aantal molens, die in werking kunnen gebracht worden, bedraagt ongeveer 300, waarvan, ofschoon de fabriek pas heropend is, de meeste reeds weder bezet zijn. Een nieuwe inrichting is ook aan de fabriek verbonden, waar de juweliers