Naar inhoud springen

Pagina:De Tijd vol 089 no 27237 Avondblad Studie der wijsbegeerte.pdf/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Studie der wijsbegeerte


Een nieuwe inleiding

De wijsgeerige belangstelling onder ons katholiek volksdeel neemt op verheugende wijze toe. De mooie serie van Dekker en Van de Vegt: „Philosophische bibliotheek” bracht ons zoo pas ’n „Geschiedenis van de nieuwere wijsbegeerte tot Kant” van den Nijmeegschen hoogleeraar dr. Ferd. Sassen, die waardig aansluit bij de twee reeds verschenen deelen van diens hand.[1] Andere deelen zijn in voorbereiding en ’n studie als die van dr. Raeymaker, getiteld: „De theorie van potentie en akt,” in de zoo juist verschenen aflevering van het „Thomistisch Tijdschrift voor Katholiek Kultuurleven”, welke ’n hoofdstuk vormt ut het in die serie te verschijnen deel „Algemeene Metaphysica”, doet ons met verlangen naar die verdere deelen uitzien. Voeg daarbij de twee deelen gebundelde Nijmeegsche wijsgeerige voordrachten, eveneens bij Dekker en Van de Vegt verschenen, en de serie „Wijsgeerige Grondbegrippen”, van welke Romen en Zonen ons al vier deeltjes brachten, dan mogen we constateeren, dat er ’n verheugend streven naar verdiept wijsgeerig inzicht in Katholiek Nederland leeft.
Staat de „Philosophische Bibliotheek” zoowel door haar redacteur prof. dr. Jos. Schrijnen als door twee harer medewerkers, de professoren Sassen en Bellon, reeds in contact met onze Katholieke Nijmeegsche Universiteit, en is in de redactie van de „Wijsgeerige grondbegrippen” de Universitas Carolina door professor Hoogveld vertegenwoordigd, de uitgever Malmerg komt nu met den eersteling eener serie, die in nog nauwer contact met de hoogeschool der Keizer-Karelstad zal staan. Ik bedoel de „Wijsgeerige en zielkundige Bibliotheek”, onder redactie van den Nijmeegschen hoogleeraar in de wijsbegeerte prof. dr. J. H. E. J. Hoogveld. De redacteur zelf opent deze serie met een „Inleiding tot de Wijsbegeerte”, waarvan ’t eerste, nu verschenen, deel getiteld is: „Beginselen der Wetenschapsleer”, met in ’n afzonderlijk volume, tegelijk uitgegeven: „Aantekeningen bij Deel I”, respectievelijk 164 en 92 bladzijden tellend.
Als om onze vreugde nog hooger op te voeren, lezen we in het voorwoord van Deel I, dat niet alleen spoedig verdere deelen volgen, o.a. een handboek voor empirische zielkunde van prof. dr. Th. Rutten en in verbinding met hem een handboek voor wijsgeerige zielkunde van den Rijsenburger professor dr. I. van den Berg,[2] maar dat eveneens in bewerking is een Paedagogisch Handboek.
Wat is de aanleiding tot het verschijnen Van deze serie? De verschillende docenten gevoelden behoefte aan een handleiding bij hun voordracht, en bovendien kwamen zij bij de speciale kwesties die zij behandelden, telkens voor de moeilijkheid te staan, dat bij hun gehoor ’n algemeen overzicht van de vraagstukken, die aan elke wetenschap ten grondslag liggen, ontbrak. Heel bijzonder bleek, dat, wilde men een goed begrip der paedagogiek geven, ’t telkens noodig was op meer algemeene vragen van wijsgeerigen aard terug te grijpen. Zoo zullen in deze serie vooral die wetenschappen behandeld worden, die, zooals prof. Hoogveld het uitdrukt, „rondom” de paedagogiek staan. Daarnaast zullen echter ook speciale kwesties behandeld worden; zoo zal Math. Crijns ’n monografie geven over „De eidetiese en struktuurpsychologiese onderzoekingen van de „Marburgse psychologenkring”.
In Deel II zijner inleiding zal prof. Hoogveld pas over taak en wezen der wijsbegeerte handelen, in dit eerste deel, dat nog slechts de elementen geeft van de wetenschapsleer, bereidt hij den weg er toe. Omdat dit boek bestemd is om werkelijk ook ’n nog niet filosofisch geschoold publiek in de wijsbegeerte in te leiden, zijn de annotaties verlegd naar het tweede fascikel. De beginneling wordt aldus niet afgeschrikt, maar heeft ’n vlot doorloopenden tekst te zijner beschikking. Zij daarentegen, die niet meer de eerste schreden op ’t pad der wijsbegeerte behoeven te zetten, zullen gretig grijpen naar de aanteekeningen, die veel uitvoerige citaten uit de nieuwste litteratuur geven. Maar ook de hoofdtekst zal den reeds ingewijde ’n veelal nieuwe en frissche visie bieden op onderwerpen, die hij vroeger behandeld zag in logica, critica en psychologie, en die hier nu op ’n heel eigen wijze zijn gecombineerd tot ’n meer verwijderde inleiding op de wijsbegeerte, als resultaat van ’n ervaring van meerdere jaren academisch onderricht.
Deze inleiding is geen lichte lectuur. De schrijver heeft dat ook niet gewild. Hij neemt in zijn voorwoord zelfs sterk stelling tegen ’n wijsgeerig dilettantisme, tegen dat „wat men wel journalistieke wijsbegeerte heeft genoemd”. Zijn inleiding eischt gedegen inspaninng en strak volgehouden aandachtconcentratie. Maar daardoor biedt ze ook het groote voordeel, dat men haar doorwerkend, leert nadenken, leert filosofeeren. Al is ze geen lichte kost, ze is wel helder, en dat is ’n eerste eisch voor zoo’n boek. De helderheid, die de colleges van professor Hoogveld kenmerkt, vinden we hier terug. De gedegenheid, die voor zijn colleges wel ’ns ’n struikelblok dreigde te worden, omdat hij als gevolg daarvan in ’t korte tijdsbestek hem toegewezen, dikwijls niet hard vooruitkwam, de stoffen niet kon afmaken, blijkt ook in dit boek, maar ze is hier niet storend of remmend, omdat het meeste eruditiemateriaal is verplaatst naar ’t deel met de aanteekeningen. Maar daar heeft hij dan ook ruimschoots gelegenheid zijn sterken zin voor documentatie uit te vieren. ’t Heeft ’t voordeel, dat ’t den lezer ’n puike bloemlezing biedt uit de bronnen en eerste klas litteratuur. Of misschien niet nog meer uit ’t eerste deel naar ’t tweede had kunnen verhuizen, is een vraag van meer of minder, wel vind ik ’t aantal citaten in andere talen in het eerste deel nog vrij groot.

Mgr. Prof. Dr. J. Hoogveld Hoogleeraar aan de R.K. Universiteit te Nijmegen

De structuur is logisch en organisch, er loopt één opgaande lijn door dit eerste deel der inleiding, dat ons brengt op den drempel der wijsbegeerte. ’n Eerste hoofdstuk onderscheidt de verschillende beteekenissen van wetenschap. Daar weten ’n kennen is, volgt ’n diepgaande uiteenzetting (hoofdstuk II) van wat we onder kennen verstaan; daar weten ’n zekere kennis is wordt nu (hoofdstuk III) zekerheid, meening en twijfel behandeld, om in ’t volgend (IV) inzicht en geloof tegenover elkaar te plaatsen en tevens de twee wegen te behandelen, waarlangs ’t verstand voortgaat in ’t verwerven der kennis, de inductie en de sluitrede of syllogisme; terwijl de analyse van weten nog voortgezet wordt in ’n uiteenzetting van wat we moeten verstaan onder definitie, gronden en oorzaken (hoofdstuk V). Nadat speculatief en praktisch verstand zijn behandeld evenals de abstractiegraden (hoofdstuk VI), is hoofdstuk VII geheel gewijd aan ’n uitvoerige beschouwing van het bewijs. In hoofdstuk VIII en IX komen achtereenvolgens de beschouwende positieve wetenschappen en de praktische wetenschappen aan de beurt, waarna ’t laatste hoofdstuk handelt over de wetenschap als systeem.
Zooals men ziet ’n zeer rijke inhoud, dien men in ’n inleiding niet altijd zou verwachten, zeker niet zoo uitvoerig, maar die hier in ’n zeer natuurlijk en organisch verband is bijeengebracht, wat juist de kracht van dit boek uitmaakt. Jammer, dat niet alleen ’n personen- en, hier vooral, zakenregister ontbreken, maar ook de inhoudsopgave zóó kort is, dat men niet vermoedt, wat ’n schatten erin verborgen zijn. Voor den leerling, die ’t geheel moet doorwerken, moge ’t niet zoo erg zijn, voor hen, die ’t willen gebruiken om iets na te slaan, is ’t een groot nadeel. Of zal het tweede deel hierin nog voorzien? We hopen ’t van harte voor de bruikbaarheid van ’t boek, want er is zooveel materiaal in verwerkt, dat ’t met ’n goed register veel gebruikt zal worden niet alleen door leerlingen maar ook door docenten. En we spreken de hoop uit, dat het tweede deel heel spoedig volgen zal. Prof. Hoogveld is zeer veeleischend tegenover zichzelf, maar nu één schaap gelukkig over den dam is, zullen de anderen hopelijk toch wel spoedig volgen!
’t Is hier niet de plaats om in bijzonderheden te treden, ’n Heel enkele meer speciale opmerking wil ik slechts maken. Het struikelblok voor vele gebruikers, die eerstelingen zijn, zal zijn ’t tweede hoofdstuk. ’t Was noodzakelijk in dezen opzet. Ik geloof, dat ’t beter ware geweest zoo ’t nog wat meer uitgewerkt ware, ’t omvat immers ’t heele metaphysische probleem der kennis in de groote lijnen, en me dunkt dat ’t aan duidelijkheid voor den beginneling zou gewonnen hebben, indien ’t nog breeder was behandeld. ’t Behoort nu eenmaal tot de moeilijke en zeer speculatieve vraagstukken der wijsbegeerte en er zit te veel aan vast. Maar wie hierop bij eerste kennismaking strandt, denke toch vooral niet, dat zoo ’t heele boek is! Integendeel, de volgende hoofdstukken zijn veel gemakkelijker te verwerken, en ze munten uit door overzichtelijkheid en helderheid. Den term bewustzijn van o.a. pag. 11 en 16 en noot 23 zag ik nog liever door ’n anderen vervangen: in z’n strikte wijsgeerige beteekenis is bewustzijn toch in ’t Thomisme iets secundairs en reflexiefs en ’t dubieus gebruik door ’t modern idealisme ervan gemaakt moet ons voorzichtig maken het in de wijsbegeerte te gebruiken in ’n andere dan in strikt eigen beteekenis. In noot 9 had de analogia proportionis en proportionalitatis in ’t kort ook moeten uiteengezet worden, te meer daar schrijver in noot 22 en 67, die termen zonder verklaring gebruikt. Bij de definitie van zekerheid wordt niets gezegd over de vraag of tot haar wezen behoort de vaste overeenstemming met de waarheid (o.a. De Veritate gn. 6 art. 3), schrijver zelf neemt dit element niet in de definitie op. De naam definitie gebruikt men ook voor louter rededingen. ’n Drukfout trof ik al lezend aan op pag. 8, tweede regel van boven, en in de noten 37, 38, 56, 165, 205, 213, 229, 257 en 333 (in ’t weglaten van aanhalingsteekens); het zij alleen opgemerkt als ’n bewijs mijner belangstelling!
Eén punt wil ik nog naar voren brengen. Schrijver geeft ruim plaats aan de opvattingen van den Gregorianaprofessor, onzen landgenoot Hoeven. Wat deze in ’n serie artikels in Studiën en Gregorianum en in zijn (slechts ad usum privatum uitgegeven) Cosmologia zoo helder heeft uiteengezet, moge zóó een breeder publiek in ons taalgebied bereiken, want in hem hebben we inderdaad iemand, die geheel op de hoogte is zoowel van de natuurwetenschappelijke gegevens als van de Aristotelisch-Thomistische wijsbegeerte, en die aldus ’n aangewezen persoon is om in de problemen, door prof. Hoogveld in hoofdstuk VIII aangeraakt, meer licht te brengen.
Tot slot: moge professor Hoogveld ons spoedig nog meer resultaten brengen van zijn lange ervaring en rijke eruditie, van zijn klare kennis der Aristotelische en Thomistische bronnen en van de uitgebreide wijsgeerige litteratuur. Ze zullen ’n zeer dankbaar gebruikt hulpmiddel worden om de scherpe en zuivere begrippen van Sint Thomas tot bloei en groei der wetenschap meer en dieper te doen doordringen.

Rolduc.
Dr. RUD. HUYSMANS
 

  1. Van die beide deelen verscheen reeds de tweede editie.
  2. Terloops zij opgemerkt, dat prof. Van den Berg, die tevens bijzonder hoogleeraar is te Utrecht, voor ’n paar maanden bij Dekker en Van de Vegt ’n overzichtelijke „Introductio in Dutologiam” uitgaf, in ’t zelfde formaat als zijn reeds vroeger verschenen „Introductio in theologiam naturalem”.