Naar inhoud springen

Pagina:De maskers af (version 1).djvu/8

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

II.

Met het afrukken van dat masker komt het ware gelaat te voorschijn, vervormd, verdraaid. De caricaturist, die als met X-stralen dit gelaat doorschouwt, zal hiervan de gansche levensgeschiedenis aflezen. Voor hem zal dat gelaat eene openbaring zijn. De vormen groeien en veranderen onder zijn blik. De grenzen breiden zich uit. Ja zelfs de kleuren nemen andere tinten aan. Alles wordt „woord” aan dit gelaat. Elke plooi, elke rimpel vertelt zijn geschiedenis. Tusschen de eene plooi en de andere liggen soms groote gebeurtenissen. Alles spreekt tot hem en midden in zoo'n gelaat komen voor hem als in een wervelwind alle hartstochten te zamen. Dan gebeurt aan den kunstenaar wat aan Ezechiël gebeurde en een stem spreekt tot hem: „Teeken dit Gezicht.”
In de eenzaamheid terugkeerend, zal het gelaat of de gestalte — soms alleen maar één hand, één oor, één oog — als een visioen boven zijn werktafel opdoemen en hij zal het tot zijn taak rekenen dit visioen vast te leggen in een stoffelijken vorm.
Zoo ontstaat wat wij gewoon zijn „caricatuur” te noemen.

III.

Wanner wij in ons woordenboek het woord „caricatuur” opslaan, dan vinden wij zoo ongeveer: „belachelijke voorstelling; spotprent” of iets dergelijks. Maar dit is niet juist, ja ik zou meenen eenzijdig, want waar de kunstenaar op eene andere wijze ontroerd is geworden dan op humoreske, zal iets anders ontstaan, dan een belachelijke spotprent. Zoo kunnen wij niet aannemen, dat, om maar een voorbeeld te noemen, „La Répétition” van Felicien Rops, of de „De Booze Gedachten” van Goya, gemaakt zijn met de bedoeling de lachlust op te wekken. Zoo is het ook met zeer veel caricatuurteekeningen van Honoré Daumier — wel een der grootste Franschen der 19e eeuw, die ik „het Oog van Frankrijk” zou willen noemen — Gavarni, Steinlen, Poitevin (diabolische visioenen), of Damourette (dier-menschen). Zij hebben nù eens hun ontwerp met groote humor, dan weder op diep tragische wijze aanschouwd en weergegeven naar de mate hunner vizie. Voor hèn verschenen de menschen dikwijls als beelden van zeer brooze materie, die langzamerhand afbrokkelen en niet meer nalaten dan een puinhoop. Die puinhoop was dan de stof, die wij wederom bezielden en waaruit zij hun groteske menschen verwekten.
Men zou tot de Romaansche oudheid en nog verder kunnen teruggaan om dienzelfden ernst voor de caricatuur terug te vinden. Toch is het terrein van den caricaturist niet alleen de degeneratie. In de portret-caricatuur kan het geniale bijvoorbeeld hem evenzeer tot stof dienen, waar dit, zooals in het gelaat van Michel Angelo, Beethoven, Socrates of Dante, de grenzen overschrijdt van het normale.

Van de goede caricatuur gaat een — vor de cultuur bevorderlijke — opvoedende kracht uit . Mannen als Daumier, Breughel, Da Vinci en Steinlen, die de caricatuur verheven hebben tot kunst van den grooten stijl, gaven de dingen op „litteraire” wijze weer. Men voelt aanstonds, bij het aanschouwen hunner scheppingen, aangeland te zijn bij mannen die „aan het woord” zijn, omdat zij iets te zeggen hebben.