B O R Y S T H E N E S
wonelijck te samen komen, en groote schuyten maken, van sesligh voeten lang, en tien oft twaelf voeten breet, en omtrent tien voeten diep. Dese schuyten hebben onder geen kiel, gelijck d'anderen, maer worden opgeboeyt op een bodem van wilgen, of van linden-hout, en vijfenveertigh voeten lang, daer sy plancken van tien of twaelf voeten lang, en omtrent een voet breet, op de gewoone wijse, opsetten, en aen malkander valt maeken, tot dat de schuyt twaelf voeten hoogh, en sestig voeten lang geworden is; 't welck alles bequamelijcker in dese bygevoegde afbeelding, hoewel in 't ruw door my afgeteekent, gesien kan worden.

Men siet aen dese schuyten bundelen van biesen, soo groot als een wijnvat, die malkander raken, en met touwen, die van de schors van lindeboomen gemaeckt sijn, aen de sijden van de schuyten, van voren tot achter, gebonden sijn. Dese biesbossen drijven op 't water, en maken by sware storm, dat deschuyten, die sy door hun lichtigheyt in 't gewicht houden, niet te gront gaen, noch omslingeren. De Cosacken bouwen dese schuyten byna op de selfde wijse, als onse timmerlieden, soo veel de boorden en naden, en 't pecken aengaet. Sy gebruycken oock twee riemen, in de plaets van een roer, die aen de beyde stevens uytsteecken. Want dewijl de schuyten lang sijn, soo souden sy, als de vyandt hen op de hals viel, niet soo lichtelijck konnen keeren en wenden. Sy hebben gemenelijck aen yder boort twaelf of sestien andere riemen, met de welcken de schuyt voortgeroeyt wordt, en dat soo snel, dat de Turcksche galeyen hen niet konnen achterhalen. Sy hebben oock in hun schuyten een mast, daer een slecht seyl aengeknoopt wordt, doch niet dan als de zee slecht is, maer als het hardt waeyt, soo roeyen sy voort. Dese schuyten sijn sonder verdeck. Sy gebruycken op zee biskuyt, in groote vaten van tien voeten lang, en vier voeten breet, die wel gebonden sijn. Dit broot wordt aen yder uytgedeelt. Sy voeden sich oock met sekere spijse van geers, gelijck mede van meel, met water gekoockt, het welck sy, met geers vermengt, met malkander eten; en dese spijse is by hen een lecker gerecht, dat sy, soo tot spijs, als tot dranck, gebruycken. 't Is suur van smaeck, en wordt gemenelijck van hen Salamake genoemt, als of men leckere spijse seyde. Doch het heeft my nooyt seer wel gesmaeckt, en ick heb het niet gebruyckt, dan als ick geen beter hadt. Dit volck is seer sober, en lijdt niet dat iemant op zee droncken is, en indien men iemandt sodanigh bevind, soo wordt hy van d'Admirael buyten geset. En dieshalven is 't hen oock niet geoorloft eenige brandewijn mee te nemen; op dat sy, sich nuchter houdende, voorspoediger in hun reyse souden sijn.
Als de Cosacken sich toerusten, om sich aen de Tartaren te wreken, soo verkiesen sy de herfst, en senden hun lijftocht, en 't gene, dat hen tot d'oorlogh nootsakelijck is, voorby de watervallen van de Borysthenes, van daer sy, hun schuyten gemaeckt hebbende, hun regementen, in vijf of ses duysent mannen bestaende, sich te velt begeven. Alle desen sijn meest uytgekosenen, en oude soldaten. De gene, die tot dese tocht geschickt worden, oeffenen sich in de wapenen, en in al 't gene, dat tot d'oorlogh dienstigh is. Dese schuyten worden omtrent in de tijdt van vijftien dagen, en met hun eyge handen gemaeckt want sy sijn in dat werck, en in alle andere ambachten geoeffent; in voegen dat sy in de tijt van drie weken tachtigh of hondert dusdanige schuyten, gelijck wy beschreven hebben, vaerdigh maken. Sy begeven sich in dese schuyten, en in yder vijftigh of sestigh mannen, elck met een musket en sabel gewapent. In yder schuyt sijn vier of ses vaten, vol van lijftocht. Hun zeekleeding is een slechte rock over hun hemdt: hun schoenen sijn ten meestendeel van schorssen van lindeboomen gemaeckt. Sy hebben een hoet op 't hooft, van wolle laken toegestelt. Yder draeght ses pont bussekruyt, en soo veel loot, als noodigh is; 't welck sy alles in vaetjes doen, die sy ter sijden van hun groote vaten leggen. Yder heeft oock een sonnewijseer. Dit is de scheeps-vloot der Cosacken, die, dus toegerust sijnde, een schrick is, niet alleenlijck voor de Pontische zee, maer oock voor geheel Natolien, hoe groot het oock is.
Sy, dus toegerust sijnde, varen de Borysthenes af. D'Admirael heeft sijn teeken aen de mast, diens schuyt gemenelijck de derde in dese tocht is. De schuyten houden soo dicht by malkander, dat sy d'een d'ander byna raken. De Turck, door 't gevaer schrander geworden, houdt aen de mont van de rivier veel galeyen, om den Cosacken de deurtocht naer de Pontische zee te be-